Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Stapsgewijze onderzoeksaanpak helpt bij verminderen dierproeven

Aldert Piersma

Aldert Piersma, RIVM en UU, met Lef in 't Lab-prijs die hij in 2007 kreeg van de Dierenbescherming voor zijn onderzoek naar 3V-alternatieven

“We hebben al heel veel kennis opgedaan over de effecten van stoffen. Maar er is ook nog heel veel wat we niet weten. Op dit moment kunnen we niet een compleet levend organisme nabouwen. En uiteindelijk gaat het om het effect van een stof in het complete organisme. Daarom kunnen we dierproeven nog niet geheel terzijde schuiven, ook al zijn dierproeven zeker niet ideaal. We zijn volop op zoek naar andere testmodellen. In vitro- en computermodellen bieden kansen, maar ze vervangen dierproeven voorlopig nog niet volledig. Misschien zijn de verwachtingen wel te hoog gespannen geweest wat betreft de snelheid van veranderingen.” Maar dat er iets gaat veranderen staat wel vast voor Aldert Piersma, reproductietoxicoloog van het RIVM en strategisch hoogleraar IRAS van de Universiteit van Utrecht. Een stapsgewijze benadering van onderzoek helpt volgens hem om het gebruik van dierproeven te verminderen.

Piersma doet onderzoek naar mechanismen van reproductietoxiciteit en naar vernieuwing en verbetering van testrichtlijnen voor het vaststellen van reproductietoxiciteit. Daarbij zoekt hij naar alternatieven voor dierproeven, onder andere door gebruik te maken van embryonale stamcellen en genomics. Ook adviseert hij over risk assessment methoden internationaal (EU, OECD, WHO) en over vernieuwing van wereldwijde teststrategieën. “Ik ben niet alleen onderzoeker, maar ook adviseur op het gebied van regelgeving. Dat is interessant, want op die manier blijft het onderzoek dat we hier bij het RIVM doen niet op de plank liggen. Die kennis wordt gebruikt bij het ontwikkelen van nieuwe teststrategieën.”

Voorspelbaarheid effect bij mensen

Het belang van testen staat buiten kijf. Tot eind jaren 50 van de vorige eeuw werd gedacht dat kinderen veilig in de baarmoeder zaten, ongevoelig voor stoffen van buitenaf. Die illusie werd wreed verstoord toen bleek dat het medicijn Thalidomide (Softenon) de oorzaak was van de wereldwijde geboorte van meer dan 10.000 baby’s met ernstige afwijkingen. Hun moeders hadden het medicijn geslikt tegen ochtendmisselijkheid. Sinds die tijd gelden voor heel veel stoffen internationale regels voor veiligheid op gebied van vruchtbaarheid en zwangerschap, waarbij testen op dieren verplicht zijn. Op de door de European Chemical Agency gepubliceerde lijst met ‘Testing proposals involving vertebrate animals’ blijkt dat voor minstens 90% van de op deze lijst voorkomende stoffen reproductietoxicologisch onderzoek vereist is. “De regelgeving lijkt adequaat, want er zijn de afgelopen 30 jaar nauwelijks calamiteiten geweest. Maar dierproeven zijn niet de ideale voorspellers van schadelijke effecten bij de mens. Zo veroorzaakt aspirine bij ratten sterfte en afwijkingen bij foeten, terwijl dat effect bij de mens nooit gevonden is. Anderzijds, het eerder genoemde Softenon geeft wel ledemaatafwijkingen bij de mens, maar niet bij de rat. Er zijn zo’n 25 geneesmiddelen/stoffen waarvoor bekend is dat ze bij de mens schadelijk zijn voor de ongeborene. Die kennis komt vooral voort uit noodzakelijk geneesmiddelengebruik in de zwangerschap of met calamiteiten waardoor zwangeren werden blootgesteld aan contaminanten (stoffen die niet opzettelijk aan voedingsmiddelen zijn toegevoegd maar daarin wel aanwezig zijn). Maar voor de overige duizenden stoffen kan de vergelijking tussen proefdier en mens niet gemaakt worden. Alternatieve testen die biologische mechanismen van stoffen ophelderen kunnen een beter inzicht geven in de relevantie van schadelijke effecten voor de mens."

Veiligheid voorop

Betrokkenheid bij vernieuwing van internatonale regelgeving vraagt wel veel geduld, geeft Piersma toe. “Regelgevers zijn conservatief. Voor een groot deel is dat terecht, ze nemen geen enkel risico omdat de veiligheid van mensen voorop staat. Maar soms zijn ze ook te voorzichtig of spelen er andere factoren een rol waarom een 3V-alternatief niet wordt geaccepteerd.” Piersma geeft als voorbeeld de twee-generatie-studies die in het kader van het REACH-programma voor ongeveer vijftien procent verplicht zijn. Uit ruim 500 eerdere studies kun je concluderen dat in die proeven de tweede generatie gemist kan worden. Door bij de testen de tweede generatie weg te laten komt de betrouwbaarheid van de uitkomsten niet in gevaar. “Dit soort proeven kunnen we nog niet vervangen door diervrije proeven, maar het weglaten van de tweede generatie in dit soort testen scheelt wel heel veel proefdieren.”

Stapsgewijze onderzoeksaanpak

Volgens Piersma moet dan ook zeker niet alleen gekeken worden naar vervanging van diermodellen, maar juist ook naar vermindering en verfijning. “Die laatste twee leveren op korte termijn veel meer op dan vervanging. Je moet altijd kritisch blijven of testen die nog niet zonder dieren kunnen, niet anders en met minder dieren kunnen.” Ook kun je door een stapsgewijze onderzoeksaanpak het moment waarop je met dieren gaat testen uitstellen. De eerste stap in het onderzoek is om alle beschikbare kennis over een stof in kaart te brengen via de computer. Het gaat daarbij om stoffen die gebruikt worden in bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen, geneesmiddelen, weekmakers in speelgoed, brandvertragers en kunststof. Na de inventarisatie van de beschikbare kennis kan met simpele in vitro high throughput test veel kennis worden verzameld. De heel schadelijke stoffen zijn er daarna wel uitgefilterd. Deze in vitro testen moeten uiteraard wel gestandaardiseerd kunnen worden, zodat elke keer hetzelfde gemeten wordt. Niet alleen in het eigen laboratorium, maar ook in andere labs en wereldwijd. Pas als er via de computer en in vitro testen onvoldoende kennis voorhanden is over de effecten van een stof, komt de dierproef aan de orde. Op die manier hoeven veel minder stoffen getest te worden op dieren. Alleen de stoffen die kansrijk zijn en waarvan niet bekend is of ze schade aanrichten, worden dan op dieren getest.

Zwakke schakels

Illustratie zwakke schakel

Zoeken naar andere testmodellen blijft nodig, al was het alleen maar om de voorspelbaarheid van de effecten bij de mens te vergroten. Volgens Piersma kan dat door als onderzoeker heel kritisch te kijken naar wat je eigenlijk wilt weten. Als je dat scherp hebt, kun je pas bepalen wat voor alternatieve testen je nodig hebt. En bestaande testen zijn niet heilig, door te onderzoeken hoe die in elkaar zitten kunnen ook zwakke schakels sterker gemaakt worden.

.