Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Oog voor gebruik dierproeven in beoordeling CBG

Birte van Elk Bert Leufkens

Birte van Elk, beleidsmedewerker Agentschap CBG en Bert Leufkens, voorzitter van het CBG

“Het College heeft inzage in de volledige registratiedossiers van de ontwikkeling van geneesmiddelen”, stelt Bert Leufkens, voorzitter van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). “Dus we zitten ook in de goede positie om heel verschillende aspecten daarvan te beoordelen.” Eén van die aspecten is de dierproef die bij geneesmiddelenontwikkeling wordt ingezet. Omdat een groot deel van de geneesmiddelen die het CBG beoordeelt van buiten Europa komt, wordt niet bij alle ontwikkeling van medicijnen rekening gehouden met de 3 V’s (Vervanging, Vermindering en Verfijning) van dierproeven. “Als wij als College vraagtekens hebben bij het nut en de noodzaak van een dierproef, spreken we daar de fabrikant op aan. Onze ervaring is dat een dergelijk signaal zeker serieus genomen wordt. Fabrikanten zijn ook zoekende welke dierproeven nu wel zinnig zijn en welke niet, en daar kunnen wij best af en toe een zetje in de goede richting geven.”

Voor een belangrijk deel zijn dierproeven ook opgenomen in de guidelines voor de ontwikkeling van medicijnen. Over de zin en onzin van dierproeven voor de door de regelgeving vereiste veiligheids- en kwaliteitscontrole van medicijnen, wordt ook binnen het CBG discussie gevoerd. Het CBG is ook betrokken bij het TIPharma project ‘The use of animals in development of pharmaceuticals’ dat Peter van Meer en Marlous Kooijman van de Universiteit Utrecht uitvoeren. Van Meer richt zich daarbij op de meerwaarde en de voorspellende waarde van dierproeven. Kooijman onderzoekt de ontwikkeling, validatie en implementatie van 3V-alternatieven voor dierproeven. Bij het onderzoek maken ze gebruik van data uit registratiedossiers. “Het doel van dit onderzoek is om te kijken waar guidelines veranderd kunnen worden zodat er waar verantwoord minder dierproeven nodig zijn bij de ontwikkeling van medicijnen. Als College kunnen wij daar zeker een bijdrage aan leveren, zeker als wij in een vroeg stadium door het geven van wetenschappelijk advies betrokken worden bij de ontwikkeling van een geneesmiddel betrokken ”, vertelt Leufkens.

Core-business

Hoewel er binnen het CBG dus zeker aandacht is voor dierproeven, is het geen core-business, benadrukt Leufkens. De taak van het CBG is het beoordelen en bewaken van de werkzaamheid, risico’s en kwaliteit van geneesmiddelen voor mens en dier. Ook beoordeelt het CBG de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen voor de mens. Het CBG is verantwoordelijk voor de bewaking gedurende de hele levenscyclus (voor, tijdens en na registratie) van een geneesmiddel. Het CBG heeft ook als wettelijke taak het geven van wetenschappelijk advies over de registratie van een geneesmiddel. Die adviezen kunnen zuiver wetenschappelijk, regulatoir of een combinatie van de twee zijn.

Beoordeling achteraf

Illustratie interview CBG

Voordat een geneesmiddel in Nederland op de markt mag worden gebracht moet het een registratie (handelsvergunning) krijgen van het CBG of de Europese Commissie. Dit laatste gebeurt na een advies aan de Europese Commissie door het wetenschappelijke comité voor geneesmiddelen voor de mens (CHMP) en het wetenschappelijk comité voor veterinaire geneesmiddelen (CVMP). Dit zijn comités van de European Medicines Agency (EMA) waar het CBG in is vertegenwoordigd. Alle beoordelingen vinden plaats op basis van het bij het CBG ingediende registratiedossier. Op dat moment zijn alle pre-klinische en klinische proeven al afgerond (die vormen een onderdeel van aanvraag voor registratiedossier), legt Birte van Elk, beleidsmedewerker van het Agentschap CBG uit. Het agentschap is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van de besluiten van het CBG en de coördinatie van de geneesmiddelen in Nederland. “Als je kijkt naar dierproeven die zijn gedaan bij de ontwikkeling van medicijnen, gaat het om proeven die vaak al jaren geleden zijn uitgevoerd. Het is een ethische afweging om de registratie van een efficitief geneesmddel af te keuren, omdat er dierproeven zijn gedaan waar je vraagtekens bij kunt zetten. Helemaal omdat de dierproeven dan waarschijnlijk opnieuw uitgevoerd moeten worden. En het gaat zelden om dierproeven die wettelijk verboden zijn, maar eerder om een proef waarbij de 3Vs onvoldoende zijn meegenomen. Het is dus altijd een afweging hoe het CBG het registratiedossier weegt. Een gesprek met het bedrijf met het oog op toekomstige medicijnontwikkeling is effectief. In het uiterste geval kan het CBG ook publiceren over wat volgens ons niet verantwoorde dierproeven waren.”

Ook in Nederland

Dat wil niet volgens Leufkens niet zeggen dat het doel altijd het middel heiligt. “Onze rol bij het bevorderen van verantwoord dierproevenbeleid is indirect. Ik zie dat een beetje zoals een huisarts die in contact met een familie ziet dat er kindermishandeling plaatsvindt. Het is niet de primaire taak van een huisarts om kindermishandeling op te sporen, maar door zijn rol komt hij achter dingen die andere mensen niet zien. Zo zie ik onze rol ook. Wij zien dierproeven uit de hele wereld voorbij komen. En daar vinden wij met onze eigen wetenschappelijke achtergrond ook wat van.” Dat wil zeker niet zeggen dat Leufkens dierproeven bij medicijnontwikkeling per definitie afwijst. Volgens hem is ontwikkeling van geneesmiddelen op dit moment nog niet geheel zonder die proeven mogelijk. “Ik pleit dan ook voor verantwoord gebruik van dierproeven. En dan niet alleen in het buitenland, maar ook juist hier in Nederland. Als je als land geneesmiddelen belangrijk vindt, en dat vinden we in Nederland, dan moet je als land ook bijdragen aan de kennis over geneesmiddelen. Dan kun je niet je verantwoordelijkheid ontlopen door klinische trials of dierproeven in andere landen uit te laten voeren en dan wel de geneesmiddelen hier op de markt te brengen. Ik vind dat verantwoord proefdiergebruik in Nederland goed geborgd moet worden. Dan leveren we een actieve bijdrage aan kennisopbouw en kunnen we tegelijkertijd actief inzetten op 3V’s.”

Internationaal

“Ons streven is uiteindelijk geneesmiddelenontwikkeling zonder proefdieronderzoek”, vertelt Van Elk. “Maar dat gaat op de korte termijn niet lukken. Daarom willen we ons voor de korte termijn richten op het leveren van een actieve bijdrage aan het beperken van proefdieronderzoek.” Dat doet het CBG door het beoordelen van de rechtvaardiging van een dierproef in het dossier en door het melden van tekortkomingen in de afwegingen. Maar ook door advies te geven in preklinisch onderzoek waardoor onnodig proefdiergebruik wordt voorkomen. Verder draagt het CBG bij aan onderzoeken die zich richten op de mogelijkheden van proefdiervrije ontwikkeling van geneesmiddelen. Van Elk: “Daarbij richten we ons uiteraard niet alleen op Nederland. Want alleen als je op internationaal overeenstemming kunt bereiken over zin en onzin van dierproeven voor geneesmiddelenontwikkeling kan er echt iets veranderen.”

.