Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

"Ik voorzie geen grote problemen als per 2020 alle dierproeven verboden worden"

Huub Schellekens

Huub Schellekens, Universiteit Utrecht

Onder meer vanwege zijn niet aflatende en prikkelende verzet tegen nutteloze en overbodige dierproeven, heeft Huub Schellekens in oktober 2013 de ‘Lef-in-het-lab-prijs’ van de Dierenbescherming gekregen. Schellekens is verbonden als hoogleraar aan de Universiteit Utrecht (UU), farmaceutische wetenschappen en innovatieve medische biotechnologie. In het verleden was hij onder andere directeur van het Gemeenschappelijk Dierenlaboratorium van de UU en lid van de Commissie Beoordeling Geneesmiddelen (CBG). “Ik heb getwijfeld of ik de prijs zou accepteren”, vertelt Schellekens bedachtzaam. “Want ik vind het normaal wat ik doe. Het is de plicht van iedere wetenschapper om heel zorgvuldig om te gaan met dierproeven. Die moeten alleen als het echt niet anders kan en dan met zo min mogelijk ongerief voor dieren. Mensen mogen mij een grote bemoeial vinden, maar volgens mij worden de afwegingen bij dierproeven nog altijd niet zorgvuldig genoeg gemaakt.”

Eén van de problemen is volgens Schellekens dat in de wetenschap de laatste jaren te veel focus op succes ligt. De wetenschap moet bijdragen aan innovaties en er moet veelvuldig gepubliceerd worden in vooraanstaande tijdschriften. Dat legt een enorme druk op wetenschappers om te scoren. Er moeten snel conclusies getrokken worden die gepresenteerd moeten worden als een doorbraak. Dit zorgt volgens Schellekens voor te haastige en slordige interpretaties van onderzoekgegevens, ook wat betreft dierexperimenteel onderzoek.

Illustratie interview Huub Schellekens

Onderzoek nauwelijks reproduceerbaar

Schellekens verwijst naar onderzoek waarbij geprobeerd is om dierexperimenteel onderzoek dat voor doorbraken zou hebben gezorgd, te reproduceren. Daarbij is gekeken naar onderzoek op het gebied van kanker. Eerst is op basis van de theorie het onderzoek opgezet. Toen dat niet lukte, is gekeken naar de gepubliceerde modellen, vervolgens zijn protocollen opgevraagd en uiteindelijk is overleg geweest met het desbetreffende lab over de opzet van het onderzoek. In maar vijftien procent van de onderzoeken was het mogelijk dat onderzoek te reproduceren. “Dat is natuurlijk een bedroevend resultaat”, vindt Schellekens. “Het geeft ook weinig vertrouwen in het nut en noodzaak van heel veel andere dierproeven. Volgens mij is dit wel een direct gevolg van de enorme druk op de wetenschap om veel en snel te scoren.” Schellekens pleit dan ook voor ‘Slow Science’, waarbij tijd en ruimte is om gedegen onderzoek te doen. “En gelukkig sta ik niet alleen in dat pleidooi.”

Vanaf vandaag stoppen

Als lid van de CBG heeft Schellekens veel kritische vragen gesteld over de dierproeven die worden gedaan bij geneesmiddelenontwikkeling. Dat heeft geleid tot het TIPharma project ‘The use of animals in development of pharmaceuticals’ dat Peter van Meer en Marlous Kooijman van de UU uitvoeren. Van Meer richt daarbij op de meerwaarde en de voorspellende waarde van dierproeven. Kooiman onderzoekt de ontwikkeling, validatie en implementatie van 3V-alternatieven voor dierproeven. Bij het onderzoek maken ze gebruik van registratiedossiers. “Uit dit onderzoek blijkt dat bepaalde proeven, bijvoorbeeld met apen op het gebied van biotech, helemaal niets opleveren. Met dit soort proeven kun je dus vanaf vandaag stoppen.”

Geen grote problemen

Schellekens voorziet geen grote problemen als per 2020 alle dierproeven worden verboden. “Noodzaak is de sterkste motor voor innovatie.” Ook gelooft hij in het belonen van het niet inzetten van dierproeven. “Geef een farmaceutisch bedrijf een half jaar langer databescherming voor een geneesmiddel dat zonder dierproeven is ontwikkeld. Moet je zien hoe snel dat dan gaat.” Volgens Schellekens is nu het probleem dat er geen straf staat op te veel testen, maar wel op te weinig. “Als bedrijven hun dossier indienen, willen ze zo snel mogelijk toestemming om hun middel op de markt te brengen. Als er iets mist aan het dossier en de beoordeelaars eisen een extra test, dan kost dat heel veel tijd en dus geld. Bedrijven willen geen enkel risico lopen dat beoordeelaars om extra testen gaan vragen. Dus elke mogelijke test wordt gedaan, ook als het weinig of niets toevoegt. “

Overleg

Een oplossing voor dit te veel testen zou volgens Schellekens zijn als bedrijven vooraf met regelgevers overleggen wat er nu echt nodig is aan (dier)proeven. Dat vereist ook bij regelgevers een andere houding. “Regelgevers willen zich vaak volledig indekken dat als er iets fout gaat, zij in ieder geval er alles aan gedaan hebben om dat te voorkomen. Dat werkt ook onnodige dierproeven in de hand. In Amerika hebben ze daar bij vaccins een mooi systeem voor. Voor elk goedgekeurd vaccin gaat geld in een soort calamiteitenpot. Die pot zit inmiddels bomvol en is nog nooit aangesproken. Maar als er iets mis gaat, is er in ieder geval geld om maatregelen te nemen. Zoiets zou in Europa met geneesmiddelen ook kunnen.”

Bewuster nadenken

Regelgevers leggen heel veel nadruk op veiligheid, vindt Schellekens. “Ze beroepen zich er op dat mensen niet bereid zijn om enig risico te nemen. Maar uit eigen onderzoek blijkt dat mensen wel bereid zijn om risico’s te nemen, zeker bij medicijnen. Mensen beseffen best dat die laatste paar procent veiligheid heel veel geld en dierproeven kost. Van de meeste mensen hoeft 100% veiligheid dan ook niet. “ Schellekens vindt dat er nog veel bewuster nagedacht moet worden over hoe we met dieren omgaan. Wetenschappers moeten niet blijven steken in het uitleggen wat het nut van dierproeven is, maar echt gaan nadenken het nut. “Belangrijk is ook dat je blijft luisteren, echt luisteren, naar mensen die het niet met je eens zijn. Het is gemakkelijk die mensen weg te zetten als dom of niet deskundig. Maar je raakt al snel verblind in je eigen werk. Buitenstaanders zien dingen die je zelf niet meer ziet.”

Rol dierenverzorger groter

In de hele discussie rond dierproeven vindt Schellekens dat het welzijn van de dieren voorop moet staan. “Dat mis ik vaak, ook in de hele wetgeving rond dierproeven. Die gaat vooral over bureaucratische formulieren die ingevuld moeten worden. Natuurlijk is toezicht nodig, maar dan niet met nadruk op formulieren, maar met nadruk op de dieren.” Schellekens ziet daarbij een belangrijke taak weggelegd voor de dierverzorgers. “Zij kennen de dieren en weten als geen ander wat nog wel kan en wat zeker niet kan in verband met het welzijn van het dier. Door deze mensen goed op te leiden en ze de bevoegdheid te geven om wetenschappers aan te spreken op de proefopzet, kan er nog veel verbeteren aan het welzijn van de dieren.”

.