Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

"Met kleine stappen komen we er ook"

Marie Jeanne Schiffelers

Marie-Jeanne Schiffelers, Universiteit Utrecht

De weg van een 3V-model van het eerste idee tot en met een bewezen volwaardige methode, is lang. Aan het eind van die weg staat de regulatoire acceptatie te wachten. “En het is niet gemakkelijk om dat einddoel te bereiken”, vertelt Marie-Jeanne Schiffelers, onderzoeker en senior-adviseur van de Universiteit Utrecht, Departement Bestuurs- en Organisatie wetenschap. De moeizame acceptatie heeft te maken met een complex aan factoren, zowel op micro- (mensen. methoden en producten), meso- (organisaties en instituties) als op macro-niveau (samenleving). “Door al die verschillende invloeden op het proces van acceptatie is er zelden sprake van een revolutie. Je moet veel meer denken in termen van een evolutie. Het kost veel tijd, energie en onderlinge afstemming, en vraagt ook kennis en ervaring van de betrokken partijen. Het heeft daardoor soms wat weg van een Echternach processie: drie stappen vooruit en twee achteruit.”

Schiffelers is momenteel bezig met het laatste jaar van een promotieonderzoek naar regulatoire acceptatie en gebruik van 3V modellen onder begeleiding van Coenraad Hendriksen (NVI/ UU), Bas Blaauboer (IRAS, UU) en Wieger Bakker (USBO, UU). Zij ziet zeker veranderingen als je kijkt naar de afgelopen decennia. Hoe we nu aankijken tegen dierproeven is enorm veranderd. Zowel vanuit dierwelzijns- als vanuit wetenschappelijk perspectief zijn er sterke redenen om te investeren in onderzoek naar en implementatie van alternatieven. “Het mooiste is als dingen samenkomen. Dus als een alternatief betere en betrouwbaardere resultaten geeft, dierenleed voorkomt, onderzoek en productie op termijn goedkoper maakt en de mogelijkheid biedt om producten sneller op de markt te krijgen.” Maar in veel gevallen komen al die voordelen niet zo overtuigend bij elkaar. Dan krijg je situaties waarbij de industrie en de regelgevende instanties afwachtend naar elkaar kijken. Zo staat in de Europese farmacopee, het officiële handboek met standaardeisen waaraan geneesmiddelen en vaccins moeten voldoen, dat als aangetoond kan worden dat een geschikt 3V-model voorhanden is, deze toegepast mag worden. Maar de industrie vraagt om meer concrete richtlijnen waaraan alternatieven moeten voldoen om niet het risico te lopen dat zij veel investeren in een 3V model dat uiteindelijk niet geaccepteerd wordt. Daar komt bij dat acceptatie in Europa niet betekent dat het geaccepteerd wordt in de VS of Japan waar deze multinationals ook hun producten afzetten. Dat is het probleem in een notendop.

Onzekerheid

Als voorbeeld noemt Schiffelers de productie van rabiës vaccins. Om de werkzaamheid daarvan te onderzoeken worden zogenaamde challenge testen op onder meer muizen uitgevoerd. Al decennialang wordt er naar alternatieven gezocht omdat deze testen voor veel ongerief zorgen bij de proefdieren en omdat de test zeer variabele resultaten laat zien. Maar tot op heden heeft nog geen enkel alternatief deze zogenaamde NIH test van zijn troon weten te stoten. “Dat heeft veel te maken met onzekerheid en angst voor het onbekende. Eigenlijk weten we niet precies wat er gebeurt als we een vaccin toedienen. Dan is het dus ook lastig om te bepalen waar alternatieve werkzaamheidstesten allemaal aan moeten voldoen. We weten ook niet precies wat er gebeurt in een muis, maar het werkt in ieder geval wel.” Ook opleiding en ervaring van de gebruikers van een test spelen een belangrijke rol. “Als je gewend bent altijd op een bepaalde manier te werken en je weet hoe je de resultaten moet interpreteren, voel je je daar zeker over en sta je niet gelijk open voor andere manieren van werken. Zeker niet als je de verantwoordelijkheid draagt voor het op de markt brengen van veilige producten. Dat geldt zeker voor een risicovol product als rabiës vaccins. Zowel de industrie als de regelgevende autoriteiten lopen daarmee liever geen enkel risico.” Toch heeft de Duitse toelatende instantie (Paul Ehrlich Instituut) de handschoen opgepakt en een model ontwikkeld waarvoor minder muizen nodig zijn en waardoor het ongerief sterk verminderd wordt. Dit model wordt nu officieel geaccepteerd binnen Europa.

Wereldwijd

Maar zelfs als iedereen in Europa het er over eens zou zijn dat de testen voor geneesmiddelen en vaccins anders moeten, is er nog een belangrijk obstakel voor de implementatie. Het probleem dat de industrie ervaart wanneer zij hun producten buiten Europa wil verkopen is daarmee immers nog niet opgelost. Voor veel landen op de wereldmarkt is de dierproef nog steeds verplicht. Om dit probleem op te lossen is harmonisatie van wet- en regelgeving op wereldniveau nodig. “Er zijn wel positieve ontwikkelingen”, weet Schiffelers. Het ‘International Conference on Harmonisation of Technical Requirements for Registration of Pharmaceuticals for Human use (ICH) bijvoorbeeld maakt zich sterk voor verdergaande harmonisatie. Datzelfde geldt voor de OECD waar mondiale testrichtlijnen voor chemische stoffen worden opgesteld. Maar het vergt veel tijd om de verschillende spelers op wereldniveau op één lijn te krijgen. Ook al omdat ook in armere landen medicijnen ontwikkeld moeten kunnen worden en daar zijn vaak niet allerlei hoogtechnische voorzieningen aanwezig om dierproeven te vervangen.

Illustratie interview Marie jeanne Schiffelers

Optimistisch

Schiffelers ziet bij mensen die zich inzetten voor 3V-alternatieven wel eens frustratie de kop opsteken omdat de veranderingen zo geleidelijk gaan. Toch is ze zelf wel optimistisch. “Ook met kleine stappen komen we er. Het is nu eenmaal moeilijk om een heel systeem dat is ingericht op dierproeven te veranderen. Het einddoel van helemaal dierproefvrij is nog ver weg. Maar individuele cases kunnen wel op korte termijn succesvol zijn. Voor het rabiës vaccin verwacht ik dat op relatief korte termijn ook buiten Europa alternatieven geaccepteerd worden. Dat helpt dan ook weer bij andere cases. We hebben nu al veel geleerd van het proces.”

Doorbraak komt

Schiffelers ziet ook dat de nieuwe Europese richtlijn ter bescherming van proefdieren een duidelijke stimulans is voor de acceptatie en implementatie van 3V-modellen. De richtlijn stelt dat als er geschikte alternatieven zijn, die ook gebruikt moeten worden. De vrijblijvendheid is er van af. Maar de aversie tegen risico is in het algemeen toch groter dan de aversie tegen dierproeven. Bij de geringste twijfel vallen toelatende instanties en de industrie terug op de dierproef die zichzelf al decennialang heeft bewezen. Dat zal veranderen naarmate alternatieven langer met succes worden toegepast in de fasen van research, development en productie. “Eigenlijk is het hele proces rond 3V-modellen niet zo heel anders dan processen rond andere fundamentele veranderingen in onze maatschappij. Veranderingen leiden nu eenmaal in eerste instantie tot weerstand. Maar als de kennis van en ervaring met 3V modellen groeit, dan groeit ook het vertrouwen en ebt de weerstand stukje bij beetje weg. Daarvoor is intensieve samenwerking en communicatie tussen de betrokken partijen nodig. De oude situatie, in dit geval de dierproef, is dan uiteindelijk niet langer de standaard. Wanneer het zover is durf ik nog niet te voorspellen, maar zeker is dat we nu midden in dat transitieproces zitten.”

Meer informatie:

‘Regulatory Acceptance and Use of 3 R models: a Multilevel Perspective’ van M.J. Schiffelers, B.J. Blaauboer, C.F.M. Hendriksen en W.E. Bakker, ALTEX, derde editie 2012 op de website van ALTEX.

.