Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Zoeken naar evenwicht tussen veiligheid en reductie aantal proefdieren

Ruud Woutersen

Ruud Woutersen, TNO en Wageningen Universiteit

Een probleem bij de acceptatie van 3V-alternatieven in de regelgeving, is dat er bij de ontwikkeling daarvan vaak geen enkel overleg is geweest met de regelgevers. Dat stelt Ruud Woutersen, buitengewoon hoogleraar Translationele Toxicologie aan de Wageningen Universiteit en werkzaam bij TNO. Dat is één van de redenen dat acceptatie door regelgevende instanties een moeizaam proces is dat zo tien tot twintig jaar in beslag kan nemen. Door de regelgevende autoriteiten vanaf het begin bij de ontwikkeling van een 3V-alternatief te betrekken, verwacht Woutersen dat de validatie een stuk sneller kan. Hij ziet een toenemend besef bij het bedrijfsleven en de regelgevende instanties dat het anders moet met de huidige manier van testen voor toxiciteit van stoffen: het kost teveel geld en teveel proefdieren. Maar minder proefdieren is geen doel op zich. Veiligheid voor mens en milieu staat voorop. Honderd procent veiligheid is daarbij een illusie, met of zonder proefdieren. “Honderd procent veiligheid bestaat niet in het leven en dus ook niet in de toxicologie.”

Woutersen is van mening dat er een ‘ change in mind set’ nodig is bij onderzoekers, de industrie, de maatschappij en de regelgevende instanties. “ Dat houdt in dat we ons moeten concentreren op het verminderen van de overall onzekerheid, in plaats van de onzekerheid over slechts een paar stoffen weg te nemen. Dat betekent dat we een zekere mate van onzekerheid moeten accepteren, maar dat is niet nieuw. Ook van stoffen die zeer diepgaand zijn onderzocht is niet zeker of ze toch niet onder bepaalde omstandigheden toxisch zijn.” Hij ziet over de afgelopen jaren wel veranderingen in die mind set. Maar hij ziet ook inconsequenties in de regelgeving.

Zorgvuldigheid

Illustratie interview Ruud Woutersen

Woutersen merkt ook inconsequenties op in de acceptatie van dierproeven door de maatschappij. “Dierproeven voor de ontwikkeling van medicijnen worden over het algemeen wel geaccepteerd. Dierproeven om toxiciteit van stoffen in bijvoorbeeld voedingsmiddelen of cosmetische producten te onderzoeken, roepen veel meer weerstand op. Dat verbaast mij. Want als cholesterolverlagende stoffen aan margarine worden toegevoegd, is het toch ook belangrijk om te weten of dat geen negatieve bijwerkingen heeft?” De tweeslachtigheid rond dierproeven en veiligheid herkent Woutersen ook wel bij zich zelf. “Stel je voor dat morgen alle dierproeven verboden worden en dat er vervolgens een gezondheidsprobleem ontstaat als in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Toen werden door het medicijn Thalidomine (Softenon) wereldwijd meer dan 10.000 baby’s met ernstige afwijkingen geboren. Daar moet je toch niet aan denken.“ Dat vraagt volgens Woutersen een heel zorgvuldige invoering van 3V-alternatieven. “Als er iets mis gaat, zal al snel met de vinger gewezen worden naar de manier van testen. Dan staan we wat betreft 3V-alternatieven weer helemaal op 0. De roep om terugkeer naar testen met dieren zal dan groot zijn”, verwacht Woutersen.

Evenwicht zoeken

Het is dus voortdurend zoeken naar een evenwicht tussen veiligheid en het verminderen van het aantal dierproeven. Daarbij wordt ook gekeken naar haalbaarheid, vertelt Woutersen. In het kader van de Europese richtlijn REACH (Registration, Evaluation, Authorization and Restriction of Chemicals) moeten voor tienduizenden stoffen potentiële risico’s worden vastgesteld. “Als we dat met de gebruikelijke in vivo methoden zouden doen zijn we zeker zo’n 250 jaar bezig en het kost heel veel proefdieren. Daarom kiezen we voor een slimmere manier van testen.” Door eerst in silico en in vitro onderzoek te doen, is al veel bestaande data over stoffen boven tafel te krijgen. Als er vragen overblijven waar geen antwoord op gevonden kan worden, is in vivo testen de laatste stap. Ook wordt in het kader van REACH gekeken naar blootstelling en absorptie van stoffen: als die er nauwelijks is, dan is er geen test nodig.

Data delen

Het positieve van REACH vindt Woutersen dat alle bedrijven die bepaalde chemicaliën maken met elkaar om tafel zitten. Alle studies die al zijn gedaan naar de veiligheid van bepaalde stoffen zijn door TNO als onafhankelijk instituut geanalyseerd. Op deze manier is duidelijk welke studies nog ontbreken en welke al gedaan zijn en dus niet nog een keer uitgevoerd hoeven worden. De gegevens zijn uit concurrentieoverwegingen niet publiekelijk bekend. Maar het European Chemicals Agency (ECHA) beschikt wel over de gegevens. Daar wordt vastgesteld welk onderzoek voor bepaalde stoffen nog uitgevoerd moet worden. Zelfs voor stoffen waar nog weinig over bekend is, hoeven niet altijd uitgebreid in vivo testen gedaan te worden om de toxiciteit goed te kunnen inschatten. Dat hangt in belangrijke mate af van de hoeveelheid die er jaarlijks wordt geproduceerd. Deze benadering scheelt aanzienlijk veel proefdieren.

Effect langere termijn

Ook bij het onderzoeken van veiligheid van voedingsmiddelen wordt niet automatisch meer teruggegrepen op een langdurige studie met dieren. Hoewel Woutersen daar wel inconsequenties in de regelgeving ziet. Voor ‘novel foods’ volstaat een 90-dagen test met dieren. Novel foods zijn voedingsmiddelen en ingrediënten die voor 15 mei 1997 niet binnen de EU als voedingsmiddel werden verkocht. Het gaat bijvoorbeeld om genetisch gemodificeerd maïs en soda. Maar ook om functionele voedingsmiddelen met toegevoegde stoffen die de gezondheidswaarde van een product verbeteren. Bijvoorbeeld de toevoeging van fytosterol aan margarine voor een cholesterolverlagend effect. Zulke middelen zijn bewezen werkzaam en zijn daarom bijna als een medicijn te kenmerken. Als een farmaceutisch bedrijf een cholesterolverlagend geneesmiddel op de markt zou willen brengen, zijn uitgebreide en langdurige testen nodig. Maar novel foods hoeven over het algemeen veel minder langdurig getest te worden. Woutersen: “ En dat terwijl er mensen zijn die dagelijks via allerlei functionele voeding een hoge dosis cholesterolverlagende middelen binnenkrijgen. Dan zou je toch ook willen weten wat het effect daarvan op de langere termijn is.”

Vervangen in vivo

Zonder proefdieren kan het toxicologisch onderzoek nog niet, stelt Woutersen. Maar het kan zeker efficiënter en met minder gebruik van proefdieren. Steeds meer zal in vivo onderzoek vervangen worden door in vitro onderzoek, waarbij veranderingen in biologische processen worden bestudeerd met behulp van geïsoleerde organen, weefselplakjes, cellen, cellijnen of celcomponenten bij voorkeur van humane oorsprong. Gebruik van humaan materiaal heeft als groot voordeel dat extrapolatie van proefdier naar mens overbodig wordt. Gebruik van nieuwe –omics technologieën kunnen volgens Woutersen in het regulatoire onderzoek een belangrijke rol spelen en bijdragen aan een grotere flexibiliteit bij het vaststellen van de te volgen strategieën. Veiligheid blijft bij regelgevende instanties heel belangrijk. Want als er iets mis gaat, dan wordt al gauw met de beschuldigende vinger naar de overheid gewezen. Woutersen is het daar niet mee eens. “We moeten gezamenlijk een oplossing vinden voor de inzet van proefdieren in plaats van naar elkaar te wijzen.”

.