Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

"Met partners op zoek naar de beste 3V-alternatieven"

Cyrille Krul

Cyrille Krul, TNO en Hogeschool Utrecht

De weg van een eerste idee tot en met de implementatie van een 3V-alternatief is lang. Het kan vijftien jaar duren voor een methodiek zo ver is dat het in de wet- en regelgeving is opgenomen. TNO probeert bij de ontwikkeling van nieuwe methoden alle stakeholders in een zo vroeg mogelijk stadium bij elkaar te brengen. “Op die manier worden alternatieven ontwikkeld die in de praktijk toepasbaar zijn,” vertelt Cyrille Krul, Business line manager 3V’s bij TNO en bijzondere Lector aan de Hogeschool Utrecht ‘Innovative Testing in Life Science and Chemistry’.”Als er interessante methoden of technieken worden ontdekt, kan het vaak nog niet direct toegepast worden voor de industrie”, vertelt Krul. Voor een succesvolle implementatie van een 3V-alternatief heb je alle partijen uit de keten nodig. Meer regie op het gehele proces en de keuze wat welke methoden wel en niet bruikbaar zijn in de productontwikkeling zou volgens Krul ook goed zijn. “Voor bijvoorbeeld huidallergie zijn heel veel verschillende modellen ontwikkeld. Dat is niet erg efficiënt.”

brug tno

Al vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw houdt TNO zich bezig met het ontwikkelen van alternatieven voor dierproeven. Krul werkt aan de kennisontwikkeling en implementatie van 3V’s, vooral gericht op onderzoek naar ziekten en geneesmiddelen. “Wij willen de verbindende brug zijn tussen de verschillende stakeholders: industrie, overheid en kennisinstellingen. We brengen de partijen uit de keten bij elkaar. De samenwerking tussen al die partijen is nodig om sneller vooruit te komen op dit gebied. Bij de ontwikkeling van een methodiek is het belangrijk om regelmatig bij de verschillende stakeholders te toetsen of het de juiste richting uit blijft gaan.”

Voorspellende waarde

Het zoeken naar alternatieven voor dierproeven wordt volgens Krul zeker niet alleen ingegeven door ethische bezwaren. Bij de ontwikkeling van geneesmiddelen staan bijvoorbeeld sommige dierproeven steeds meer ter discussie omdat ze te weinig voorspellende waarde hebben over de effecten bij de mens. “Dan kun je proberen de bestaande dierproef te verbeteren, door onder meer gebruik te maken van imaging technieken die beter te vertalen zijn naar de situatie in de mens. Maar je kunt ook kijken of er niet op een andere manier gegevens verzameld kunnen worden zoals uit menselijk weefsel,” vindt Krul. “Je kunt overigens niet algemeen stellen dat dierproeven geen goede voorspellende waarde hebben. Er zijn zeker dierproeven die aantoonbaar bruikbare voorspellingen opleveren. Bij het zoeken naar alternatieven zou de focus in eerste instantie op dierproeven moeten liggen die een slechte voorspellende of geen toegevoegde waarde hebben.”

Beter in kaart brengen

Bij het onderzoeken of een geneesmiddel werkt en geen schadelijke bijwerkingen heeft in de mens, is het belangrijk om precies in kaart te brengen welke gegevens nodig zijn om een besluit te kunnen nemen over het verder ontwikkelen of het stop zetten van een nieuw geneesmiddel. Vervolgens kan gekeken worden welke data al beschikbaar is en welke nog verzameld moeten worden. Krul: “Door vooraf vast te stellen welke beslissing wordt genomen op basis van verzamelde data, kan het aantal proefdieren al fors teruggebracht worden.”

Voorop lopen

Krul realiseert zich wel dat we in Nederland en Europa voorop lopen in de toepassing van 3V-alternatieven. Voor internationale bedrijven is het speelveld veel groter dan Nederland. Het is daarom belangrijk dat de internationale wet- en regelgeving geharmoniseerd wordt. Nederlandse experts zijn vertegenwoordigd in allerlei internationale gremia om de 3V principes te laten doorklinken. “Dat is nodig omdat internationale bedrijven ook buiten Nederland werkzaam zijn. Je wilt niet dat die bedrijven ons land verlaten omdat er in andere landen mindere strengere regels zijn. Of omdat ze bepaalde dierstudies alsnog moeten doen omdat ze buiten Europa worden vereist. Dus moeten we het internationaal eens worden over de (on)mogelijkheden van nieuwe aanpakken en 3V-alternatieven.” Krul vertelt dat het in internationale contacten soms wel een eyeopener is om te horen hoe er in andere landen tegen dierproeven wordt aangekeken. “Voor ons is het zoeken naar alternatieven ook vanuit een maatschappelijk en economisch perspectief belangrijk. In sommige landen speelt dat nauwelijks. Belangrijk is om de vraag te stellen hoe voorspellend de gebruikte dierproeven eigenlijk zijn. Als je aantoonbaar kunt maken dat de voorspellende waarde van bepaalde proeven eigenlijk tegenvalt, dan is er bereidheid om te kijken naar hoe dat anders en beter kan.”

Geen ‘one-model-fits-all’

Volgens Krul zijn er waarschijnlijk weinig ‘one-model-fits-all’ alternatieven. De klassieke, meestal langdurige, weg tot validatie, ging uit van het principe dat een 3V-alternatief op elke stof van toepassing moet zijn. Voor een snelle implementatie en bredere toepassing is het belangrijk het toepassingsdomein voor een nieuwe methodiek vast te stellen. Dus waar kun je een model wel voor gebruiken en waar niet voor.

Enige terughoudendheid

Bij de industrie merkt Krul nog wel enige terughoudendheid voor het ontwikkelen en toepassen van 3V-alternatieven. Dat snapt Krul wel. Mensen zijn vertrouwd met in vivo data en het vraagt specifieke kennis om vanuit een invitro model de vertaalslag te maken naar de in vivo situatie. “Als je bovendien niet zeker weet of een alternatief geaccepteerd wordt, sta je ook niet te trappelen om daar tijd en geld in te steken.” Want van 3V-alternatieven wordt wel gezegd dat ze goedkoper zijn dan dierproeven, maar het is volgens Krul zeker niet zo dat elk model zonder dieren per definitie goedkoper is. “Bij het zoeken naar alternatieven gaat het in eerste instantie dan ook niet om kostenreductie, maar of het model een beter resultaat oplevert.”

Europees project

Samenwerken en leren van elkaar zijn cruciaal voor de ontwikkeling en de implementatie van 3V-alternatieven, benadrukt Krul. Op dit moment is TNO ook betrokken bij een Europees project waarin 3V-modellen die worden ingezet om de biobeschikbaarheid van medicijnen te testen worden vergeleken. Ook wordt bekeken wat het toepassingsdomein van elk model kan zijn. “Dat is voor elke partner in het consortium wel spannend, want stel dat er uit komt dat de modellen die je zelf hebt ontwikkeld niet zo goed zijn in vergelijking met andere modellen. Maar toch doen we het wel, want uiteindelijk gaat het er om dat we samen met de farmaceutische industrie, regelgevers en kennisinstellingen de beste modellen en teststrategieën vinden om zonder dieren de biobeschikbaarheid te kunnen testen.”

.