Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

"Wij willen daadwerkelijke bijdrage leveren aan implementatie 3V-alternatieven"

Rob Vandebriel

Rob Vandebriel, onderzoeker RIVM en contactpersoon VWS 

“Het is goed om je te realiseren dat diermodellen maar een deel van de werkelijkheid laten zien”, vindt Rob Vandebriel, onderzoeker bij het RIVM. “Er zijn genoeg dingen die we niet kunnen testen in dieren, zoals bijvoorbeeld de effecten van stoffen op auto-immuniteit. We moeten blijven zoeken naar nieuwe modellen die van belang zijn voor de gezondheid van de mens, ook op effecten die met dieren niet te testen zijn. Als we die vinden, verlaagt dit de drempel voor het meten van effecten die nu nog wel met dieren getest worden.” Sinds begin 2011 werkt Vandebriel ongeveer één dag per week bij VWS. Het doel daarvan is om directer bij elkaars werk betrokken te zijn. “En dat werkt. We weten nu veel beter van elkaar wat we willen en we kunnen elkaar daardoor beter aanvullen.” Primair staat daarbij de veiligheid van stoffen, geneesmiddelen en vaccins. Daaraan gekoppeld is de inzet van 3V-alternatieven, waarvoor de huidige minister eind vorig jaar een actieplan naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

“Vanuit wat we nu weten is het moeilijk voor te stellen dat onderzoek echt fundamenteel anders en zonder dierproeven kan. Maar kijk naar humane genomics; twintig jaar geleden was het een idiote gedachte dat dat zou kunnen. De wetenschappelijke ontwikkeling gaat door en ik verwacht daar veel van, ook op gebied van de inzet van 3V-alternatieven.” Die alternatieven worden veelal binnen universiteiten of industriële onderzoekscentra ontwikkeld, waarna de meest veelbelovende methoden worden gevalideerd. Dat wil zeggen dat de betrouwbaarheid en relevantie wordt nagegaan. Hierna kan de alternatieve methode worden aangeboden voor het accorderen door de OECD, de EU en/of ICH waarna deze vervolgens opgenomen kunnen worden in de regelgevende kaders (implementatie).

Te weinig samenwerking

Vandebriel weet inmiddels dat de keten van ontwikkeling via validatie en acceptatie naar implementatie, geen gestroomlijnd geheel is. In 2011 deed het RIVM in opdracht van VWS onderzoek naar de knelpunten bij ontwikkeling, validatie en implementatie van alternatieven voor dierproeven. Uit dat onderzoek bleek dat de hele keten van een 3V-alternatief bestaat uit afzonderlijke organisaties die niet op een structureel georganiseerde basis samenwerken. Die samenwerking zou wel tot stand moeten komen. Op die manier wordt voorkomen dat er gevalideerde alternatieve methodes worden ontwikkeld zonder toepassingsmogelijkheden in het regelgevende kader. Aan de andere kant moet ook bij alle partijen duidelijk zijn dat niet op afroep betrouwbare in vitro testen afgeleverd kunnen worden, zeker niet voor complexe eindpunten zoals carcinogeniteit en reproductietoxiciteit. Er is dus veel meer kennis nodig over wat de rol is van de verschillende partijen in de keten. Door activiteiten veel beter op elkaar af te stemmen, is de kans dat een 3V-alternatief succesvol de hele weg aflegt veel groter.

Concreet maken

In zijn adviserende rol richting VWS ziet Vandebriel zijn inhoudelijke deskundigheid opschuiven naar een meer bestuurskundige en beleidsmatige inbreng. Belangrijk vindt hij daarbij om niet op een hoog abstractieniveau te blijven hangen. “Het is belangrijk om zaken op een wetenschappelijk verantwoorde manier uit te zoeken en te beschrijven. Maar daarna moet je het ook concreet maken. Wij willen daadwerkelijk een bijdrage leveren aan het versoepelen van de keten van onderzoek naar implementatie. Dat doen we door testen te selecteren die verder uitgewerkt kunnen worden en die het hele proces gaan doorlopen.” Eigenlijk maakt het niet zoveel uit om welke testen dat gaat. Centraal staat het opdoen van kennis en ervaring om het hele proces beter te laten verlopen. Meer inzicht in deze processen zal zeker bijdragen aan de implementatie van alternatieven voor dierproeven. Vandebriel is er van overtuigd dat het gaat lukken. “Maar het gaat wel langzaam. Op het gebied van de reproductietoxicologie, bijvoorbeeld willen we weten of en welke invloed een bepaalde stof heeft op de innesteling van een bevrucht ei. Dat kunnen we in vitro nu nog niet nabouwen. In de toekomst komt dat wel, maar het ontwikkelen van echt nieuwe wetenschappelijke technieken gaat nog wel jaren duren.”

Bijdrage beleidsontwikkeling

Vandebriel wil vanuit het RIVM graag een bijdrage leveren aan de beleidsontwikkeling van het ministerie. Uiteraard zonder dat de onafhankelijkheid als wetenschapper in het geding komt. “Maar die zaken bijten elkaar helemaal niet”, stelt Vandebriel. “Als RIVM geven wij wetenschappelijk onderbouwde adviezen aan het ministerie. De minister maakt uiteindelijk op basis van de situatie en de gehele context een beleidskeuze.” Als voorbeeld noemt Vandebriel de invoering van de Europese cosmeticarichtlijn die per 2013 alle dierproeven wil verbieden voor het testen van ingrediënten van cosmetische producten. Het RIVM heeft in een briefrapport ‘RIVM opinie betreffende het rapport “Meeting the Deadline of the EU Marketing Ban”’ het advies gegeven om de invoering uit te stellen. De acceptatie en implementatie van alternatieve testen in internationale regelgeving en voor regulatoir vereiste kwantitatieve risicobeoordeling, is nog niet ver genoeg gevorderd. Bovendien zijn voor toxicokinetiek, toxiciteit na herhaalde blootstelling en reproductietoxiciteit nog geen adequate proefdiervrije methoden beschikbaar voor het vaststellen van de veiligheid van cosmetica-ingrediënten. De komende vijf tot tien jaar verwacht het RIVM veel vooruitgang op dit gebied. De industrie wil uitstel van de invoering van de richtlijn, maar de publieke opinie lijkt zich te keren tegen dat uitstel. “Het is aan de minister om nu een beleidsmatige afweging te maken. Het rapport van het RIVM is één van de aspecten waarop zij haar keuze kan baseren.”

Koudwatervrees

Illustratie interview Rob Vandebriel

De implementatie van 3V-alternatieven is zeker niet alleen een Nederlandse aangelegenheid, benadrukt Vandebriel. Het is belangrijk om vanuit Nederland betrokken te zijn bij allerlei buitenlandse gremia wat betreft dit onderwerp. Het is lastig om het veld in beweging te krijgen, maar die beweging ziet Vandebriel wel ontstaan. “Ik merk nog steeds veel koudwatervrees om alternatieven te accepteren. Dat heeft ook te maken met de kennis en de jarenlange ervaring die mensen hebben opgebouwd met diermodellen. Het is lastig om dat los te laten en in te zien dat diervrije modellen net zo goed of zelfs beter zijn. Het heeft tijd nodig om te rijpen. Door meer begrip te krijgen over de werking van de keten van ontwikkeling tot implementatie, kan dat hele proces wel versneld worden.”

.