Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Het invoeren van 3V-alternatieven is geen simpel rekensommetje

Sophie Deleu

Sophie Deleu, hoofd NKCA

Wat Sophie Deleu in 2009 als kersvers hoofd van het net opgerichte Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven (NKCA) aantrof, was een lappendeken aan goede,maar losse initiatieven. De verschillende professionele netwerken die een rol spelen bij het Vervangen, Verminderen en Verfijnen (3V’s) van dierproeven hadden weinig contact met elkaar. “Er was geen afstemming van activiteiten, laat staan samenwerking. En dat is wel nodig voor echte veranderingen.” Daar is in de jaren daarna wel verandering in gekomen, blikt Deleu terug. “Partijen zijn nu met elkaar in gesprek. Gemakkelijk is het nog steeds niet. Het invoeren van 3V-alternatieven is een complex verhaal waarbij alle betrokken partijen het nog lang niet eens zijn over de manier waarop dat het beste kan gebeuren.”

Het hoopgevende vindt Deleu dat er de afgelopen jaren gezamenlijk inzicht is ontstaan dat het vervangen en verminderen, laat staan verfijnen van dierproeven geen lineair eenvoudig proces is. Dierproeven worden niet 1-op-1 vervangen door een proefdiervrij model. En de ontwikkeling van 3V-methoden leidt zeker niet automatisch tot de vermindering van het aantal dierproeven. “Dit inzicht maakt het niet gemakkelijker, maar het maakt wel duidelijk dat we op een andere manier dingen voor elkaar moeten krijgen. We moeten nog meer gaan denken in netwerken en multi-stakeholder betrokkenheid.” Volgens Deleu heeft het NKCA de afgelopen jaren een goede rol gespeeld om tot dat inzicht te komen. In de loop van 2014 houdt het NKCA op te bestaan. Dat is een direct gevolg van de invoering van de Europese richtlijn over dierproeven in de Nederlandse wetgeving. De taken van het NKCA worden ondergebracht bij verschillende partijen, waaronder het op te richten Nationaal Comité (NC). De organisatievorm gaat veranderen, maar de missie blijft hetzelfde: bevordering van de toepassing van 3V-alternatieven voor dierproeven.

Kwaliteit

Bij het zoeken naar 3V-alternatieven staat volgens Deleu kwaliteit van onderzoek centraal. “ In alle vakgebieden wil je streven naar de best mogelijke proefopzet. Maar als je dieren gebruikt in je onderzoek, is die noodzaak uit ethische overwegingen extra groot.” Belangrijk is het om ook de maatschappelijke relevantie van onderzoek kritisch te bekijken. Het gaat niet alleen om positieve effecten voor mensen, maar ook voor dieren en het milieu. De keuze of voor dat onderzoek dieren ingezet worden, is niet alleen de keuze van een onderzoeker. “Het is een keuze die de wetenschap samen met overheid, het bedrijfsleven en de maatschappij maakt. Vinden we bepaalde onderzoeken belangrijk genoeg om dieren in te zetten? Als we dat vinden, dan moet die proefopzet ook zo goed mogelijk. Ik ben voorstander van systematic reviews en andere activiteiten die de kwaliteit van de proefopzet verbeteren zoals educatie, training en wetenschappelijke toetsing. Dat zorgt voor onderzoek van hoog niveau en dat is niet alleen goed voor dieren in het onderzoek, maar ook goed voor de wetenschappelijke kwaliteit.”

Mensenwerk

Het leggen van verbindingen ziet Deleu als belangrijke taak van het NKCA. “Toen ik bij het NKCA begon waren beleidsmakers, regelgevers, onderzoekers en het bedrijfsleven allemaal op hun eigen deel goed bezig met 3V-alternatieven, maar er was nauwelijks contact met elkaar. Daardoor bleven kansen liggen. Want hoewel nieuwe onderzoekstechnieken natuurlijk belangrijk zijn, gaat het bij het invoeren van 3V-alternatieven ook juist om mensen. Je hebt mensen nodig die vanuit een persoonlijke drive en vanuit hun kennis en vasthoudendheid dingen voor elkaar krijgen. Mensen die in gaan tegen de opvatting dat onderzoek met dieren nu eenmaal een noodzakelijk kwaad is. Mensen die laten zien wat er nu al wel mogelijk is. En mensen die richting kunnen en durven geven.” Deleu ziet dat ook als taak van het NC: de mensen die voorop lopen ondersteunen en ze helpen om hindernissen te nemen. Het NC zou volgens haar ook veel meer richting moeten gaan geven waar we in Nederland met 3V-alternatieven naar toe gaan. “Het NKCA heeft die leidende rol niet. Ons werk is veel meer faciliterend. Maar ik vind dat nu de tijd rijp is om veel meer sturing te gaan geven. Dat is nodig om echte impact te verkrijgen in de praktijk.”

Keuzes maken

Richting geven betekent ook keuzes maken. Daar heeft het NKCA met de programmeringsstudie een belangrijke voorzet voor gemaakt. Daardoor is een goede focus gegeven aan onderzoek. “ De prioritaire kennisdomeinen staan niet in steen gehouwen, maar het helpt wel bij kiezen. Daarbij hebben we niet vanuit problemen gekeken, maar juist naar kansrijke gebieden. De programmeringsstudie hebben we samen met heel veel professionals uitgevoerd. Leuk neveneffect was dat we op die maner netwerken bij elkaar brachten. Daarmee werd ook een brug geslagen tussen beleid en de praktijk.”

Maatschappelijke ontwikkelingen

Communicatie is een belangrijke pijler van het NKCA. “Ik geloof niet in ‘ we leggen het nog een keer uit’. Je moet als bedrijf of onderzoeker echt de dialoog aangaan met stakeholders. Door in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen kun je je juist positief onderscheiden met de inzet voor 3V-alternatieven. Kijk bijvoorbeeld naar Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) waar veel bedrijven mee bezig zijn. Daar past een beleid op het gebied van 3V-alternatieven naadloos in. En mensen verwachten in toenemende mate zowel van de wetenschap als van bedrijven openheid en transparantie over hun handelen. Dat geldt bij uitstek voor onderzoek waarbij dieren zijn betrokken.” Respect voor elkaar vindt Deleu daarbij heel belangrijk. “ Het is te gemakkelijk om te zeggen dat mensen die het niet met je eens zijn ‘het niet begrijpen’. Het draait vrijwel nooit om een gebrek aan feitenkennis. Het gaat meestal om een verschil in visie en een verschil in belangen. Het is de kunst om te zoeken naar gezamenlijke belangen. Dat lukt alleen als je afwijkende meningen welwillend bekijkt.”

Meer inzicht

Illustratie interview Sophie Deleu

In die hele discussie is het belangrijk om inzicht te hebben waar we nu staan, zodat er vanuit hetzelfde vetrekpunt wordt gepraat. Alleen een getal over het aantal dierproeven dat jaarlijks in Nederland wordt gedaan zegt op zich weinig over de inzet van 3V-alternatieven. Het NKCA heeft dit jaar een advies uitgebracht aan het ministerie van Economische Zaken (EZ) op welke manier de inzet van 3V-alternatieven in de praktijk in beeld gebracht kan worden. De algemene vraag naar betere kennisbenutting of valorisatie van wetenschappelijk onderzoek heeft ook een positief effect op onderzoek waarbij dierproeven worden gedaan. ‘Weten waar je over praat’ is een belangrijke randvoorwaarde voor de toepassing van 3V-alternatieven “Ook met bedrijven zijn we in gesprek over het opzetten van een benchmark op gebied van 3V-alernatieven. Dit helpt om inzichtelijk te maken wat bedrijven op dit gebied doen. En het stimuleert bedrijven om nog harder hun best te doen. Want je wilt als bedrijf dan natuurlijk wel in de top van 3V-onderzoek staan.”

Trots

Het invoeren van 3V-alternatieven is geen simpel rekensommetje, maar een complex verhaal, weet Deleu uit ervaring. Kennis alleen is niet genoeg, mensen moeten het ook willen. “Toen ik als hoofd van het NKCA begon had ik niet de illusie dat het makkelijk zou worden. En dat is het nog steeds niet. Maar we hebben de afgelopen jaren samen stappen in de goede richting gezet. En daar ben ik trots op.”

.