Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

De vraag is wat we bereiken met de inzet van dierproeven

Wilbert Frieling

Wilbert Frieling, WIL Research

Het aantal dierproeven in Nederland moet omlaag. Dat lijkt een goed streven. Maar volgens Wilbert Frieling, managing director van WIL Research, zeggen absolute aantallen niet zo veel. “Interessanter is het antwoord op de vraag wat we bereiken met de inzet van dierproeven. Als je de output van dit soort proeven helder in kaart kunt brengen, dan kun je pas uitspraken doen of dat de inzet van dierproeven rechtvaardigt.” Voor sommige mensen zal het antwoord op die vraag altijd nee zijn, weet Frieling. Maar er zijn ook mensen die dierproeven wel accepteren als ze een bijdrage leveren aan de gezondheid en veiligheid van mensen, milieu en dieren. Frieling is daar één van. “Veel van de dierproeven die uitgevoerd worden leveren kennis op die echt bijdraagt aan begrip van ziekten en de ontwikkeling van therapieën.“

WIL Research is een internationaal opererende contact-research laboratorium. Het bedrijf is gespecialiseerd op het terrein van milieu- en veiligheidsonderzoek voor nieuwe en bestaande geneesmiddelen en chemicaliën. Bij de Europese vestiging in ’s-Hertogenbosch werken ruim 280 medewerkers. De opdrachtgevers zijn internationale farmaceutische, chemische en agrochemische bedrijven. “Wij doen zelf niet aan productontwikkeling, maar testen stoffen en producten van onze klanten op veiligheid. Dat doen we in vitro en in vivo.” De verhouding ligt volgens Frieling fifty-fifty. “We doen niet voor alle stoffen alle benodigde onderzoeken", licht Frieling toe. “Klanten vragen ons ook vaak om één onderzoek in een serie van onderzoeken. Dus dan doen we alleen onderzoek met computermodellen of we doen alleen onderzoek met diermodellen en de andere benodigde onderzoeken worden elders gedaan.” Het aantal dierproeven dat bij WIL Research wordt gedaan, zegt volgens Frieling vooral iets over het aantal klanten dat ze hebben. "Uiteraard wordt er alleen met dieren getest als daar geen vervangingstechnieken voor aanwezig zijn. Alle geaccepteerde technieken die in internationale richtliijnen zijn opgenomen worden hier toegepast. En als we dierproeven doen, dan met zo min mogelijk dieren en met zo min mogelijk ongerief voor die dieren.”

Welzijn van dieren

"De dierproeven die we bij WIL Research uitvoeren doen we omdat er geen wetenschappelijk geaccepteerd alternatief voorhanden is en regelgevers voor die testen een dierproef verplicht stellen”, vertelt Frieling. Bij het doen van dierproeven zijn de 3V’s (Vervangen, Verminderen en Verfijnen) het uitgangspunt voor WIL Research. “Juist omdat vervanging nu nog niet volledig mogelijk is, moeten we ons richten op vermindering en verfijning”, vindt Frieling. Zodat de dieren die in onderzoek zitten zo min mogelijk ongerief hebben. Frieling die zelf een aantal jaren dierenarts is geweest voordat hij de overstap maakte naar onderzoek, vindt het belangrijk oog te hebben voor het welzijn van dieren. WIL Research heeft jarenlang donaties gedaan aan de voorloper van het ZonMw-programma Meer kennis met Minder Dieren. Dat geld was speciaal geoormerkt voor onderzoek naar Vermindering en Verfijning. “Sommige mensen begrijpen niet dat ik met mijn achtergrond dieproeven niet afwijs. Maar als proeven zorgvuldig worden gedaan en het ongerief wordt beperkt, denk ik dat veel proeven belangrijk zijn en echt bijdragen aan de gezondheid en veiligheid van mensen.”

Tegenstrijdige belangen

Illustratie interview Wilbert Frieling

Frieling ziet daarbij wel tegenstrijdige belangen. Zo wil de overheid het aantal dierproeven terugbrengen, maar diezelfde overheid stelt wel dierproeven verplicht bij veel veiligheidsonderzoek om risico’s te verminderen. Dat geldt ook voor de maatschappelijke opinie. Mensen die afwijzend tegenover dierproeven staan, verwachten wel 100% veiligheid van alle stoffen waarmee ze in aanraking komen. “We gaan wel in discussie met regelgevers of dierproeven echt noodzakelijk zijn om risico’s uit te sluiten en of dat niet anders en zonder dieren getest kan worden. Maar de regelgevers zijn daar vaak terughoudend in. Dat snap ik ook wel, want ze willen absoluut niet dat er iets mis gaat. Maar ik vind het wel eens frustrerend dat er dan naar mensen die dierproeven doen wordt gewezen alsof ze die proeven voor hun eigen lol doen.” Het is volgens Frieling een gedeelde verantwoordelijkheid van de overheid, wetenschap, bedrijfsleven en de maatschappij of en waar dierproeven worden ingezet. Daar kun je niet één partij voor verantwoordelijk stellen.

In gesprek

Het is belangrijk om naar elkaar te blijven luisteren, vindt Frieling. Door met elkaar in gesprek te gaan en de voors en tegens van dierproeven tegen elkaar af te zetten, kom je vooruit. “Ik vind wel dat mensen die tegen dierproeven zijn heel actief zijn, terwijl mensen die het nut van dierproeven inzien zich wel heel gedeisd houden. Daardoor ontstaat een eenzijdig beeld dat er voor alle testen allang goede alternatieven zijn zonder dieren. Dat is echt niet waar. Daar wordt wel aan gewerkt, maar zover is het nog niet. Dat is niet altijd een makkelijke boodschap, want dierproeven liggen heel gevoelig en roepen hevige reacties op.“

Openheid en transparantie

Met de nieuwe Wet op de Dierproeven naar aanleiding van de Europese richtlijn wordt de ethische toets, waarbij gekeken wordt of het belang van de proef opweegt tegen het ongerief van een dier, buiten de eigen instelling gelegd. Frieling vindt dat een goede zaak. Ook de niet-technische samenvatting die straks verplicht wordt ziet Frieling wel zitten. “Dit draagt bij aan de openheid en transparantie rond dierproeven. Keuzes worden zo inzichtelijk gemaakt en ook wordt veel duidelijker wat de opbrengst van het onderzoek zou moeten zijn.” Het is volgens Frieling ook belangrijk om een goede methodiek te ontwikkelen om te checken of die opbrengst ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. “Ik ben wel benieuwd hoe de nieuwe wet in de praktijk uit gaat pakken. Ik verwacht dat het goede dat er al is behouden blijft. Maar dat we door een aantal dingen anders te regelen nog meer oog krijgen voor wat we wel en niet met dierproeven willen bereiken. En voor de dierproeven die we doen blijft het belangrijk die zo goed mogelijk te doen met ze min mogelijk ongerief voor de dieren.”

.