Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Bij voorkeur onderzoek zonder dieren

Geny Groothuis

Geny Groothuis, RUG

“Er is veel veranderd op het gebied van dierproeven en 3V-alternatieven”, vindt Geny Groothuis, hoofd van de onderzoeksgroep Drug Metabolism and Toxocology van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). “In de jaren zeventig van de vorige eeuw hadden we bij de universiteit onze eigen stal waar je als onderzoeker terecht kon als je een dier nodig had.” Door de Wet op de Dierproeven is daar verandering in gekomen. In het begin werden de Dierexperimenten Commissies (DEC) die aanvragen voor dierproeven beoordelen, nog wel als een barrière gezien voor onderzoek, kijkt Groothuis terug. “Maar inmiddels vinden de meeste onderzoekers de DEC’s nuttig. Het helpt om goed na te denken of onderzoek niet anders en zonder of met minder dieren kan.”

Illustratie interview Geny Groothuis

De bewustwording die ontstaan is na de invoering van de Wet op de Dierproeven, is voor de jongere generatie onderzoekers bijna vanzelfsprekend. “Ik zie bij jonge onderzoekers dat ze bij voorkeur hun onderzoek uitvoeren met zo weinig mogelijk dieren. Daarbij willen ze zoveel mogelijk informatie uit één dier halen, in plaats van meerdere dieren in te zetten.” Dat is ook het streven van de RUG. Onderzoek in de werkgroep van Groothuis wordt zo opgezet dat verschillende organen uit één dier onderzocht worden door meerdere onderzoekers en dat niet voor elk orgaan een ander dier gebruikt wordt.

Dunne plakjes weefsel

Groothuis doet al tientallen jaren in vitro proeven. Voor haar medisch-wetenschappelijk onderzoek met hele dunne plakjes menselijk weefsel die dierproeven vervangen, won ze in 2010 de Lef in ’t Lab prijs van de Dierenbescherming. Met de plakjes kunnen ziekteprocessen worden nagebootst om nieuwe geneesmiddelen tegen ziekten te testen of kan de toxiciteit van geneesmiddelen worden getest. Groothuis is al vanaf eind van de jaren zeventig betrokken bij in vitro onderzoek waarbij levercellen geïsoleerd werden. “We gebruikten de cellen om onderzoek te doen naar hoe geneesmiddelen in cellen worden opgenomen en omgezet worden in andere verbindingen. Nadeel van isolatie van cellen is dat ze dan belangrijke functies verliezen die je juist wilt onderzoeken.” Daarom heeft Groothuis de methode verder ontwikkeld, waarbij in de dunne plakjes weefsel alle cellen tegelijk bekeken kunnen worden.

Menselijk weefsel

Bij het onderzoek wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van menselijk weefsel. “Dat geeft de beste voorspelling wat er in de mens gaat gebeuren. Maar we ontkomen er niet aan om ook dierlijk weefsel te gebruiken. Er moeten dingen uitgeprobeerd worden en daar hebben we eenvoudigweg niet genoeg menselijk weefsel voor.” Het menselijk weefsel dat wordt gebruikt komt onder andere van patiënten die worden geopereerd aan kanker. Als de patholoog het gezonde weefsel rondom de verwijderde kankercellen niet nodig heeft voor diagnose, kan het ingezet worden voor onderzoek. Uiteraard is het gebruik van menselijk weefsel aan strikte regel gebonden, waaronder benodigde toestemming van de patiënt.

Meer onderzoek

Eigenlijk is Groothuis verbaasd dat het aantal dierproeven al jarenlang min of meer stabiel is, rond de 600.000 per jaar. “In vergelijking met vroeger wordt veel meer onderzoek gedaan. Je zou dus verwachten dat het aantal dierproeven dan ook toeneemt. Er worden dus kennelijk meer onderzoeksmethoden gebruikt waarbij dieren niet nodig zijn.” Dat gaat niet alleen om methoden die dierproeven vervangen, maar ook om hele nieuwe onderzoeksmethoden waar nooit een dier aan te pas is gekomen. Ondanks al deze diervrije modellen kunnen dierproeven nog niet geheel worden vervangen, stelt Groothuis. Wat betreft Verfijning is er volgens Groothuis veel verbeterd de afgelopen jaren. “Proefdieren worden heel goed behandeld en ook kennis over anesthesie en pijnbestrijding bij dieren is flink toegenomen.”

Interactie

Een groot deel van de dierproeven bij de onderzoeksgroep van Groothuis wordt gedaan op organen van gedode dieren. “Deze dieren hebben bij leven geen enkele proef ondergaan. Het doden gaat snel en pijnloos. In vergelijking met die proefdieren hebben dieren in de vleesindustrie het een stuk slechter.” Maar ook het doen van proeven met levende dieren is volgens Groothuis nog niet te vermijden. “Afzonderlijke organen kunnen veel vertellen over bijvoorbeeld de werking van medicijnen. Maar het gaat ook om de interactie tussen organen en het immuunsysteem. Daar hebben we nog lang niet alle kennis over. En die kennis is wel nodig om medicijnen te ontwikkelen. We werken wel aan de ontwikkeling van in vitro systemen om die interactie te kunnen meten. “

Veilig

Groothuis ziet veel kansen in de ontwikkeling van bioartificiële organen en stamcellen. De mogelijkheden van organen-op-een-chip komen steeds dichterbij. Ook computermodellen dragen steeds meer bij om te voorspellen hoe een heel organisme werkt. “Denk je eens in hoe deze ontwikkelingen kunnen bijdragen aan proefdiervrij onderzoek.” Moeilijk blijft dat er geen enkele methode is die risico geheel uitsluit. En dat is eigenlijk wel wat mensen vragen. Hoe veilig is veilig? Zijn in vitro methoden met menselijk weefsel veiliger dan in vivo dierproeven? Hoe veilig kunnen we het maken? Dat zijn vragen die een belangrijk rol spelen bij onderzoek. “Er gaat heel veel goed, maar er gaan ook zeker dingen mis”, weet Groothuis. “Helemaal uitsluiten kunnen we dat helaas niet. We moeten accepteren dat we niet alles weten en niet alles kunnen voorkomen.”

.