Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Openheid over negatieve en positieve onderzoeksresultaten nodig voor ontwikkeling wetenschap

Henk Smid

Henk Smid, ZonMw

In de visie van ZonMw zijn er twee dingen nodig om de zorg en gezondheid te verbeteren: kennis en het daadwerkelijk gebruiken van die kennis. “Belangrijk is dus dat kennis die wordt opgedaan in de projecten die we financieren ook verspreid wordt”, vertelt Henk Smid, directeur van ZonMw. En daarbij gaat het zeker niet alleen om positieve resultaten. “Negatieve resultaten dragen ook bij aan de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis. Dat geldt ook voor onderzoek waar gebruik wordt gemaakt van diermodellen. Als bekend is dat bepaald onderzoek negatief resultaat oplevert, voorkomt dat dat onderzoek nog eens op dezelfde manier uitgevoerd wordt. Binnen het ZonMw programma Meer Kennis met Minder Dieren (MKMD) is ook ruimte om het publiceren van negatieve resultaten een impuls te geven. Hoewel wetenschappelijke tijdschriften nog terughoudend zijn om negatieve resultaten te publiceren, ziet Smid wel een voorzichtige kentering. “Ook daar dringt het besef langzaam door dat een evenwichtig beeld van negatieve en positieve resultaten de wetenschap verder helpt.”

“We willen als ZonMw zeker niet op de stoel van wetenschappers gaan zitten”, benadrukt Smid. “Maar we willen wel samen met die wetenschappers in discussie hoe onderzoek anders en wellicht beter kan. En hoe resultaten van dat onderzoek beter gebruikt kunnen worden. Hiervoor is ook aandacht binnen het programma MKMD. “Het gebruik van systematisch literatuur onderzoek, zoals dat al jaren gebruikelijk is binnen de humane klinische studies, wordt nu ook ontwikkeld voor dierexperimenteel onderzoek. Deze systematische literatuuronderzoeken kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het onderzoek en de onderbouwing voor het juiste diermodel.” geeft Smid aan.

Totale innovatiecyclus

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie door financiering én het stimuleren van gebruik van kennis. ZonMw stimuleert met allerlei subsidieprogramma’s de totale innovatiecyclus. Van fundamenteel onderzoek tot implementatie van nieuwe behandelingen, preventieve interventies of verbeteringen in de structuur van de gezondheidszorg. Bij de selectie van subsidievoorstellen zoekt ZonMw vernieuwing in combinatie met kwaliteit. De hoofdopdrachtgevers van ZonMw zijn het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Nog onvermijdelijk

ZonMw financieert ook onderzoek dat met diermodellen wordt uitgevoerd. “De inzet van een diermodel is in sommige gevallen helaas nog onvermijdelijk. Wij proberen onderzoekers wel uit te dagen om zoveel mogelijk gebruik te maken van de 3V-alternatieven: Vervangen, Verminderen en Verfijnen. Sommige onderzoekers vinden het wel eens irritant dat we doorvragen of een onderzoeksvoorstel echt niet anders en met 3V-alternatieven mogelijk is, maar we zien steeds meer onderzoekers die dat zelf ook heel belangrijk vinden.”

Blijven investeren

Binnen de projecten die ZonMw financiert richt het programma MKMD zich speciaal op de versnelling van de ontwikkeling en toepassing van de 3V’s. Smid kent de kritiek dat het budget van MKMD zo beperkt is dat het nauwelijks een druppel op de gloeiende plaat is. “Inderdaad is het budget beperkt. We zouden het graag ophogen, maar liever niet ten koste van ander onderzoek.” Smid hoopt dat ondanks de economische crisis en de moeilijke keuzes die daarbij gemaakt moeten worden, de overheid kan blijven investeren in de ontwikkeling van 3V-alternatieven. Een mogelijke nieuwe geldstroom voor dit soort onderzoek zou ook van maatschappelijke organisaties kunnen komen, zoals bijvoorbeeld de Gezondheidsfondsen. Die krijgen geld van donateurs voor onderzoek naar bepaalde ziekten. Een deel van dat geld zou volgens Smid ook ingezet kunnen worden om de ontwikkeling en toepassing van 3V-modellen voor onderzoek naar die specifieke ziekten te versnellen.

Veel goede voorstellen

Meer geld zou volgens Smid zeker helpen omdat er genoeg kennis en expertise in Nederland aanwezig is. “We zien dat elke keer bij de aanvragen voor MKMD en de voorlopers daarvan. Het aantal goede voorstellen overtreft altijd ons budget. Maar het zeker niet zo dat er daarom niets wordt bereikt.” De voorloper van het MKMD-programma is uitgebreid extern geëvalueerd en de conclusie daarvan is dat een aantal ontwikkelingen op gebied van 3V zonder financiering niet op deze manier en zo snel tot stand was gekomen.

Ontwikkeling ‘Flowkamer’

Illustratie interview Henk Smid

Als voorbeeld noemt Smid een project uit de voorloper van het MKMD-programma, het programma Dierproeven Begrensd. Het project met een looptijd van 2006 tot 2010 richtte zich op de ontwikkeling van een humaan alternatief voor proefdiergebruik voor het testen van medicijnen of voedingsmiddelen die de bloedstolling kunnen tegengaan. Voor dit soort onderzoek worden genetisch gemanipuleerde dieren gebruikt. Uitgangspunt van dit project was dat er geen intact proefdier nodig is omdat slechts een aantal vaarwandcomponenten van invloed is op het proces van bloedstolling. Het gebruik van ‘flowkamers’ is dan een goed alternatief. In een flowkamer wordt bloed geleid over een oppervlak waaraan diverse biologische moleculen kunnen worden gehecht. De werkzame eiwitten zijn met behulp van een robot in kleine hoeveelheden in een specifieke volgorde op het oppervlak van de flowkamer aangebracht. Door een combinatie van eiwitten die de bloedplaatjes stimuleren (zoals collageen) en eiwitten die de bloedstolling op gang brengen (zoals weefselfactor) kunnen beide processen nu met behulp van een speciale microscoop gevolgd worden. Dit levert een unieke test op aangezien eerdere assays gericht zijn op ofwel de werking van bloedplaatjes ofwel de rol van de bloedstolling. Het toevoegen van klinisch veel gebruikt antitrombotische medicatie (clopidogrel, heparine) aan het bloed was duidelijk meetbaar in de flowkamer test. Voor een goede detectie van onvoldoende of overmatige trombusvorming is gekozen voor de volgende meetparameters: de mate van hechting van bloedplaatjes aan het flowkameroppervlak; de omvang van de gevormde trombi; en de hoeveelhied van gevormd fibrine. In dit project is een flowkamer test ontwikkeld en gevalideerd die klinisch relevante vasculaire en hemostatische afwijkingen kan opsporen. Het gebruik van proefdieren voor dezelfde doeleinden kan met deze techniek verminderen.

Gericht op implementatie

De flowkamer die is ontwikkeld als model, maakt nu een doorstart naar verdere ontwikkeling in samenwerking met een private partij. Dit vervolgproject dat van 2013 tot 2016 loopt, wordt gefinancierd uit de MKMD onderzoeksmodule Proefdiervrije Technieken. De korte en lange termijn experimentele modellen voor onderzoek naar trombose en atherosclerose leveren aanzienlijk ongerief op voor de transgene dieren. Doel van dit project is om het proefdiergebruik met behulp van twee nieuwe functietesten met kleine bloedvolumes, de perfusiekamer en de trombinegeneratie test: (1) te vervangen (humaan bloed in plaats van proefdierbloed), (2) te verminderen (één druppel bloed per test), (3) te verfijnen (vervangen van in vivo door in vitro testen met geïsoleerd bloed). Beide testen zullen geminiaturiseerd worden en voorzien van een geavanceerde maar eenvoudige detectiemogelijkheid, die betaalbaar is voor laboratoria. Het project behelst niet alleen de ontwikkeling en validatie van de assays, maar ook actieve stappen om deze te implementeren in laboratoria waar veel proefdieren gebruikt worden. Toepassing is niet alleen in het onderzoeksgebied van trombose en hemostase, maar ook voor het onderzoek van andere bloed gerelateerde ziekten, zoals bijvoorbeeld aderverkalking, suikerziekte en kanker.

Nieuwe kennis delen

“Ik zie het als onze morele plicht om het gebruik van 3V-alternatieven te stimuleren. Bijkomend voordeel is dat nieuwe methodes meer onderzoeksmogelijkheden bieden en in veel gevallen een betere voorspelbaarheid kennen wat betreft effecten in de mens. Door die nieuwe kennis te delen, ook bij onderzoeken die negatieve resultaten laten zien, komt de wetenschap verder. En hoe minder dieren daarbij nodig zijn, des te beter,” vindt Smid.

.