Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Data delen om ontwerp van dierproeven te verbeteren

Peter Vijn

Peter Vijn, Biolnq Consultancy

Uit onderzoek van onder andere Carol Kilkenny et al. (2009) blijkt dat de kwaliteit van het experimental design van dierexperimenten vaak niet optimaal is. Kilkenny stelt na analyse van honderden studies in de VS en de UK, zelfs keihard dat het ontwerp van dierexperimenten vaak slecht is. Wat vooral ontbreekt, is de verantwoording van het aantal dieren dat werd gebruikt. Peter Vijn, van Biolnq Consultancy, heeft niet de indruk dat er na de publicatie van Kilkenny op dit gebied veel verbeterd is. En dat is volgens Vijn wel nodig. Een nationale gestructureerde database kan helpen om data te delen zodat onderzoekers geholpen worden om de proefopzet te verbeteren.

Volgens Vijn is het niet alleen uit ethische overwegingen dat onderzoekers nog meer aandacht dan nu al moeten besteden aan het ontwerp van hun experimenten. In de Europese richtlijn 2010/63/EU 'betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt’, is als verplichting opgenomen dat onderzoek uitgevoerd moet worden met het minimale aantal dieren dat wetenschappelijk betrouwbare resultaten geeft. Dan moet een onderzoeker dus wel kunnen verantwoorden hoe hij tot het aantal proefdieren in het experiment is gekomen en waarom dit aantal het minimalel is. Om dat op een goede manier te doen is volgens Vijn een nationale gestructureerde database nodig waarmee onderzoekers hun data gaan delen. De spreiding in resultaten binnen de groepen met dieren in een experiment staat daarbij centraal. Door kerngegevens over spreiding en daarmee de signaal/ruis verhoudingen van biologische processen inzichtelijk te maken, kan een onderzoeker geassisteerd door goede software al vooraf een gefundeerde keuze maken voor het aantal dieren dat in het geplande experiment nodig zal zijn.

Verantwoording

De database zal niet automatisch leiden tot daling van het totale aantal proefdieren. Maar dat is ook geen doel op zich, vindt Vijn. Het gaat er om dat onderzoekers maximaal nadenken over de juiste opzet van hun onderzoek. En als daar dieren bij nodig zijn, dan moet dat met het juiste aantal dieren gebeuren. Vijn vindt daarbij dat Vermindering beter vervangen kan worden door de V van Verantwoording. “Zeker bij onderzoek naar bijvoorbeeld veroudering ligt het voor de hand dat diergebruik de komende jaren alleen maar zal toenemen. Het is dan wel belangrijk dat de experimenten zo goed mogelijk opgezet zijn. Statistische significantie moet daarbij niet centraal staan, maar maatschappelijke relevantie. De kunst is om deze twee op één lijn te krijgen. Wetenschappelijk weten we goed hoe dat moet, maar dit naar de praktijk brengen is de uitdaging.”

Ervaring

Vijn heeft ruime ervaring met het delen van data op het gebied van dierexperimenten op kleinere schaal. Hij werkte bij het voormalige Organon in Oss en was betrokken bij de ontwikkeling van laboratorium automatisering. Deze systemen werden gebouwd met input van de onderzoekers in de laboratoria. Er kon data worden opgeslagen, bewerkt, gedeeld en gerapporteerd. Veel aandacht ging uit naar het ontwerp van ieder nieuw experiment. Aan de hand van gerichte vragen die ingevuld moesten worden, werd de gebruiker geholpen om goed na te denken over de proefopzet. En of in die proef geen alternatieven waren voor het gebruik van dieren. “Binnen Organon werkte dit goed en hielp ook echt om experimenten beter op te zetten”, kijkt Vijn daar op terug. Organon’s research labs zijn na de overname door MSD gesloten of naar de VS overgebracht. Daarmee zijn ook deze systemen uit beeld verdwenen. Vijn staat nu voor ogen dat in Nederland een nieuw systeem, deels gebaseerd op de Organon werkwijze, kan helpen om dierexperimenteel onderzoek in Nederland over de volle breedte te optimaliseren.

Quality by Design

Het principe van Quality by Design (QbD) is daarbij leidend. Door gebruik te maken van alles wat je zelf al weet, gecombineerd met wat anderen al eerder hebben gemeten, kunnen gefundeerde keuzes gemaakt worden voor het aantal proefdieren per experiment. “Dat moeten er niet teveel zijn, maar ook zeker niet te weinig”, vertelt Vijn. “Onderzoek met te weinig dieren is namelijk kwalijker dan met te veel dieren. Want te weinig dieren leveren geen bruikbare conclusies op, dus zijn die dieren voor niets gebruikt. Zo’n experiment had gewoon niet gedaan mogen worden.” Volgens Vijn is er nog weinig interne druk om processen rond dierproeven te verbeteren. “Als je kijkt naar bijvoorbeeld de auto- of de telefoonindustrie, daar zijn de processen zo ontworpen dat ze tegen lage kosten betrouwbaar werkende auto’s en telefoons opleveren. Dat verwacht de consument gewoon. Bij medisch-biologisch onderzoek zijn de consequenties minder groot als iets niet lukt of het fout gaat. Dat levert in ieder geval geen boze consumenten op.”

Meerwaarde onderzoekers

De FDA (Food and Drug Administration) heeft inmiddels QbD omarmd als goed principe bij klinisch onderzoek. Met de juiste software zou dit ook ingevoerd kunnen worden in dierexperimentele labs. De meerwaarde voor onderzoekers is dat het hen zal helpen bij kennisontwikkeling. Door het delen van data kunnen eigen experimenten beter opgezet worden. Belangrijk bij een dergelijk systeem is volgens Vijn dat onderzoekers niet het hemd van het lijf gevraagd wordt. Het systeem moet slechts om een beperkt aantal gegevens vragen. Het gaat niet om het eindeloos vastleggen van detailinformatie, maar juist om wat direct bruikbaar is in de toepassing en de doorzoekbaarheid van die gegevens voor anderen.” Detailinformatie kan eventueel later alsnog toegevoegd worden, als we met z’n allen gewend zijn geraakt aan ‘datapublicatie’.”

All-singing, all-dancing

Illustratie interview Peter Vijn

Dat zo’n systeem in Nederland zal komen, daar is Vijn optimistisch over. Inmiddels heeft een publiek-privaat consortium bij ZonMw in het kader van het programma Meer Kennis met Minder Dieren een voorstel ingediend om een systeem te bouwen om data op gebied van dierproeven te delen. Zo’n systeem moet uiteindelijk worden wat de Britten, Vijn heeft jaren met zijn gezin in Schotland gewoond, zo mooi ‘all-singing, all-dancing’ noemen. Het moet voor onderzoekers uitnodigend worden om data in te voeren waarna de onderzoeker zelf bepaalt welke gegevens openbaar worden gemaakt. Dit zal ook een positief effect hebben op een ander hardnekkig probleem: “Met de publicatiedruk in de wetenschap ligt de nadruk op positieve resultaten en de negatieve worden onder de tafel geveegd. Maar juist van dingen die minder goed lukken kan veel geleerd worden.“

.