Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Dierwelzijn is rode draad BPRC

Ronald Bontrop Jeffrey Barjamovic

Ronald Bontrop, directeur BPRC en Jeffrey Bajramovic, hoofd Unit Alternatieven

Op het totaal aantal proefdieren in Nederland is het aantal non-humane primaten bij het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) niet heel groot. Ongeveer 1100 resusapen, 200 Java-apen en 200 Marmosets leven in ruime verblijven op het terrein van het onderzoeksinstituut in Rijswijk. Een groot deel van deze dieren zit in de fok en wordt niet voor dierexperimenten gebruikt. De resusapen zijn gekarakteriseerd voor een groot aantal genetische, virologische en immunologische eigenschappen. Dieren kunnen daarom nauwkeurig voor de juiste experimenten geselecteerd worden. Maar dieren worden bij het BPRC alleen ingezet als er echt geen ander alternatief voorhanden is. “Ons streven is om zo min mogelijk dieren in te zetten voor experimenten”, legt Ronald Bontrop, directeur van het BPRC uit. “En waar het nog wel nodig is, zoeken we naar manieren waarop de dieren zo min mogelijk ongerief ervaren.”

Illustratie interview BPRC

Het BPRC richt zich op verkennend en toegepast biomedisch onderzoek voor ernstige infectieziekten zoals AIDS, hepatitis, malaria en tuberculose en op chronisch slopende ziekten zoals reumatoïde artritis en multiple sclerose. Voor het ontwikkelen van veilige en effectieve medicijnen is meer inzicht nodig over het ontstaan en beloop van deze ziektes. Voor een deel van het verkennende of toegepaste onderzoek worden diermodellen ingezet. De reden daarvoor is volgens Bontrop dat apen en mensen genetisch voor een groot deel overeenkomen. “Het verschil tussen een mens en een resusaap bedraagt ongeveer zeven procent. Het genetische verschil tussen een mens en muis in ongeveer 30%. Ook is het immuunsysteem van een muis heel anders ingericht, waardoor er veel virussen en bacteriën zijn die de muis niet infecteren maar de mens wel, en andersom. Bovendien is de generatietijd van een muis één tot twee jaar en die van een non-humane primaat wel 20 tot 30 jaar. Daardoor zit het immuunsysteem van een aap veel ingewikkelder in elkaar, voor zo’n langere tijd is het voor de natuur de moeite waard om daar zwaarder op in te zetten.” Experimenten met apen hebben door de overeenkomsten met de mens een grote voorspellende waarde voor eventueel klinische toepassing . “Maar elk diermodel is een model met zijn eigen beperkingen”, vindt Bontrop “Dat geldt ook voor modellen met apen. Wat we eigenlijk willen weten is wat de effecten bij de mens zijn. Daarom blijven we zoeken naar betere modellen en willen we zoveel mogelijk essentiële informatie achterhalen.”

Sociaal gehuisvest

Dat is precies wat het BPRC doet. Met een eigen Unit Alternatieven en met één medewerker per Unit die zich uitsluitend bezighoudt met het onderzoek naar alternatieven, zet het instituut in op verfijning, vermindering en vervanging. “Het dierwelzijn loopt als een rode draad door alle activiteiten van het BPRC heen”, vertelt Jeffrey Bajramovic, hoofd Unit Alternatieven. Bij de herfinanciering van het BPRC zijn er afspraken gemaakt met de overheid dat er ook geld beschikbaar is voor de ontwikkelingen van de 3V-alternatieven. Dat geld is onder andere ingezet voor de ontwikkeling van ruime huisvesting met binnen- en buitenhokken. Alle dieren zijn inmiddels sociaal gehuisvest en er is veel verrijking in de kooien zoals glijbanen, klimmaterialen en water om te zwemmen. Dit alles heeft stabiele en rustige groepen opgeleverd waarmee goed gefokt kan worden. Ook dieren in een experiment worden sociaal gehuisvest, om de stress voor de dieren te verminderen. Dieren worden ook getraind zodat eenvoudige handelingen zoals bloedafname gemakkelijk verlopen. De verzorging en training van de apen vraagt heel veel inzet en expertise van de mensen die bij het BPRC werken. “Zeker omdat apen lang leven ontwikkelen veel dierverzorgers echt een band met de dieren”, vertelt Bontrop. “Dan is het moeilijk als een dier wordt geselecteerd voor een experiment. Gelukkig kennen de onderzoekers en de dierverzorgers elkaar goed en is voor iedereen duidelijk waarom iets op een bepaalde manier wordt gedaan en waarom er bepaalde keuzes worden gemaakt, ook al is dat niet altijd leuk. “

Ongerief verminderen

Bij de Unit Alternatieven zijn er twee onderzoeksrichtingen. Binnen de ene worden in vitro modellen ontwikkeld die specifiek ingezet worden als testfase voordat dieren ingezet worden. Deze zogenaamde pre in vivo test fase waarbij veel gebruik wordt gemaakt van ‘restmateriaal’ heeft al geleid tot een sterke vermindering van het aantal gebruikte dieren in bepaalde experimenten. Een andere onderzoekslijn is meer toepassingsgerelateerd en richt zich op wat beter kan bij het BPRC zelf, met name op het gebied van dierenwelzijn. Een goed voorbeeld van een onderzoek dat het welzijn van de dieren in een experiment wil verbeteren, is het onderzoek dat zich richt op een specifiek soort adjuvant. Deze stof die aan een vaccin wordt toegevoegd om de immuunrespons te stimuleren, zorgt bij proeven op het gebied van reuma en MS voor behoorlijk wat ongerief bij de dieren in het experiment. “Wij zoeken naar manieren om dat ongerief te verminderen”, vertelt Bajramovic. “Zo kijken we of we bacteriestammen kunnen modificeren zodat de apen minder bijwerkingen krijgen. Ook onderzoeken we of we een heel nieuw adjuvant kunnen samenstellen dat minder ongerief geeft. Dit onderzoek draagt in eerste instantie niet bij aan het verbeteren van medicijnen of behandelingen voor de mens, maar wel aan het welzijn van de dieren.” In veel onderzoeksprojecten is het moeilijk om onderzoek speciaal op dierwelzijn te richten. Bajramovic: “De tijd en financiën zijn vaak beperkt en er moet snel resultaat geboekt worden. De focus ligt dan op de meest betrouwbare onderzoeksmethode die binnen de kortst mogelijke tijd resultaat geeft. Wij kunnen gelukkig wel investeren in een langlopend onderzoek om een alternatief voor het adjuvant te zoeken. We hebben nu een bacteriestam te pakken die minder bijwerkingen geeft. Deze gaan we binnenkort testen.”

Openheid

Volgens Bontrop is het belangrijk om heel open en transparant te zijn over wat het BPRC doet en waarom. “Wij hebben een website gemaakt om uit te leggen wat we doen. Op jaarbasis leiden we zo’n 500 mensen op ons terrein rond. Ook geven we openheid van zaken met ons proefdierkundig jaarverslag. Het oordeel laten we aan mensen zelf over. De meeste mensen met wie ik in gesprek ben zien wel de nuances. Niemand is voor dierproeven en wij zeker ook niet. Maar bij het onderzoek naar het genezen of verlichten van ernstige ziekten hebben we ook mede dankzij de dierexperimenten wel de nodige successen geboekt.” Of het onderzoek ooit zonder dierexperimenten kan weet Bontrop niet. “Tijdens de Koude Oorlog werden non-humane primaten ingezet om de impact van straling te meten, daarna zijn apen jarenlang ingezet voor transplantatie onderzoek en nu ligt de focus op ernstige infectieziekten en de ontwikkeling van vaccins, bepaalde chronische ziektes, en veroudering. Ik weet niet wat er over 20 jaar speelt waarvoor onderzoek met apen nodig is.” Maar de discussie over de noodzaak daarvan gaan Bontrop en Bajramovic zeker niet uit de weg.

Terrein BPRC
.