Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Beter luisteren naar bedrijven bij ontwikkeling vervanging dierproeven

Erwin Roggen

Erwin L. Roggen, Novozymes A/S en 3Rs Management and Consultancy

‘Better science, health and safety without the use of animals.’ Dat is waar Erwin L. Roggen voor staat. De Belg die al weer jaren in Denemarken woont, is Science Manager bij Novozymes A/S en heeft zijn eigen bedrijf 3Rs Management and Consultancy. De aanleiding om zich in te zetten voor 3V-test strategieën was 25 jaar geleden een rat die te snel uit de narcose kwam. Toen Roggen ’s morgens op het lab kwam, liep die rat met zijn ingewanden er uit over de gang. “Ik dacht dat moet anders kunnen”, kijkt Roggen daar op terug. En volgens Roggen kan het ook anders. “Mensen die zeggen dat er nooit zonder dieren getest kan worden, gaan uit van de kennis die er nu is. Bij de aansluiting van de eerste telefoon werd wireless telefonie in 2013 ook slechts door weinigen beschouwd als een haalbare realiteit.”

Roggen is betrokken bij drie fases van 3V-test strategieën: de ontwikkeling van nieuwe methodieken, het brengen van de testen van het laboratorium naar de industrie en de acceptatie door de regelgevers. “Eigenlijk weet ik niet wat de moeilijkste fase is”, vertelt Roggen. Wat hem inmiddels wel duidelijk is, is dat er geen multipurpose testsystemen zijn.“Terwijl dit gepredikt wordt voor in vitro modellen, worden diermodellen in het algemeen ten onrechte beschouwd als ‘one fits all’. Dat heeft volgens Roggen veel te maken met onzekerheid. “Alle partijen begrijpen wel dat testen met dieren zo zijn beperkingen heeft. Maar met die onzekerheden heeft iedereen leren leven. Testen zonder dieren hebben ook hun grenzen, maar die grenzen zijn nog onbekend. Dat maakt mensen onzeker en huiverig om diermodellen te vervangen door diervrije modellen.”

Specifieke wensen

Illustratie Erwin Roggen

Men mag er volgens Roggen niet van uit gaan dat elke test, al dan niet gevalideerd, per definitie breed inzetbaar is voor elk bedrijf. “Een test voor de ‘industrie’ als zodanig bestaat niet,” vindt Roggen. “Elk bedrijf heeft specifieke stoffen die getest moeten worden. Niet zelden moeten veelbelovende testsystemen aangepast worden om dit mogelijk te maken. Omdat deze flexibiliteit in schril contrast staat met de strikte opvolging van gevalideerde procedures, hebben gevalideerde testen het moeilijk om op grote schaal gebruikt te worden.” Roggen pleit er daarom voor om veel beter te luisteren naar waar individuele bedrijven behoefte aan hebben voordat nieuwe methodieken ontwikkeld worden. “Beter kun je samen met een bedrijf een bestaande test verder ontwikkelen zodat die echt aansluit bij waar het bedrijf behoefte aan heeft. Dan weet je tenminste zeker dat de test gebruikt gaat worden.” Dat is precies wat Roggen doet met 3Rs Management and Consultancy. “Dat is een arbeidsintensief proces. Het betekent veel reizen, goed luisteren en inspelen op behoeften van bedrijven.”

Verschillende belangen

Er wordt nog al eens gezegd dat vooral regelgevers een obstakel zijn bij de implementatie van 3V-test strategieën. Zij zouden te langzaam en te conservatief zijn. Maar na jaren werken met bedrijven, weet Roggen dat ook die niet altijd even vooruitstrevend en snel zijn. Vooral diervrije testsystemen zitten klem tussen twee partijen, vindt Roggen. Regelgevers vragen voordat zij diervrije testen accepteren veel testgegevens terwijl de industrie liever vasthoudt aan test strategieën die al geaccepteerd zijn door de regelgevers. Nochtans lijkt het of alle partijen het met elkaar eens zijn. Wetenschap, overheid, industrie en maatschappelijke organisaties gebruiken allemaal dezelfde sleutelwoorden: minder dierproeven en zo veel mogelijk 3V- test strategieën. Maar ze hebben daarbij allemaal een andere prioriteit. Voor regelgevers staan terecht veiligheid en gezondheid voorop. Voor bedrijven zijn vooral economische motieven, gevulde productlijnen en goedkeuring door de regelgevers leidend. Daarbij is er een verschil tussen de farmaceutische industrie die zijn focus wat betreft 3V-strategieën richt op productontwikkeling, en de chemische- en cosmetische industrie die zich meer richten op regulering. De onderzoekers wijzen op de betere wetenschap. Voor de maatschappelijke organisaties staan de ethische dilemma’s rond dierproeven centraal. Dit leidt dikwijls tot interessant maar verwarrende discussies.

Prioriteiten

Voor bedrijven zijn volgens Roggen de kosten die verbonden zijn aan de implementatie van een nieuwe test de eerste prioriteit. Daarna wordt gekeken of het past op de eigen stoffen en wat de through put is. Als dat positief is, is pas de acceptatie van de regelgevers interessant. Voor Roggen is dat de reden om de focus te leggen op het goedkoper maken van de in vitro testen. Dat maakt dit soort testen aantrekkelijker dan diermodellen die over het algemeen duur zijn. Maar er zijn volgens Roggen nog andere belangrijke redenen voor bedrijven om te kiezen voor in vitro modellen. “Bedrijven moeten leren om ook wat diervrije systemen betreft in de toekomst te kijken. Bedrijven die hebben doorgerekend wat het kost om diervrije modellen te implementeren zien dat de investering op korte termijn weliswaar hoog is, maar op langere termijn levert het geld op. Veel stoffen die op dieren worden getest, komen niet verder vanwege een misleidende toxicologische evaluatie. Door te gaan testen met menselijke cellijn-gebaseerde testsystemen wordt de voorspelbaarheid ten aanzien van effecten op mensen beter. Dat betekent dat een bedrijf met veel meer bruikbare stoffen verder kan en dat de waarschijnlijkheid dat het eindeprodukt de markt haalt groter wordt. Een extra economische bonus volgt uit het feit dat 3V-test strategieën de identificatie van heel nieuwe producten mogelijk maken.’’

Innovatief genoeg

Een verbod op dierproeven zoals vanaf 2013 in Europa geldt voor cosmetica, wijst Roggen niet af. “Een verbod en de aanloop daar naar toe, zijn zeker een stok achter de deur om serieus werk te maken van het ontwikkelen van alternatieven. Ik ben niet heel bang voor de veiligheid van producten. Bedrijven zijn innovatief genoeg om andere manieren te ontwikkelen om te testen.” Voor de chemische industrie geldt dat de verplichte testen in het kader van REACH lang niet allemaal met dieren gedaan kunnen worden aangezien de testcapaciteit niet voldoende is om de ongeveer 140.000 stoffen te testen. Ook hier geldt dus dat gekeken moet worden naar andere strategieën, onder andere 3V-test strategieën en het gebruik van bestaande kennis over stoffen en effecten daarvan.

Niet 1 op 1 vervangen

Het gaat zeker niet om het 1 op 1 vervangen van dierproeven. Ook gebeurd er veel dat niet gezien wordt als een 3V- test strategie. Bijvoorbeeld in de farmaceutische industrie worden modellen ontwikkeld om met behulp van cellijn-gebaseerde testmodellen het effect van stoffen vast te stellen. Het gaat om een heel nieuw concept waarbij geen dieren worden gebruikt. Er worden geen dierproeven vervangen. Maar volgens Roggen is het wel een belangrijke ontwikkeling dat bij nieuwe concepten niet gekozen wordt voor een diermodel. Dat is ook een manier om het aantal dierproeven per product in de loop der tijd fors te verminderen. Roggen kent de strubbelingen en frustraties van alle partijen bij de ontwikkeling en implementatie van diervrije modellen. Maar hij is er van overtuigd dat het mogelijk is, al kost het zeker tijd. “Betere wetenschap, gezondheid en veiligheid zonder dierproeven.”

.