Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

"We moeten een hele nieuwe puzzel maken"

Herman Koëter

Herman Koëter, Orange House Partnership

Veiligheid voor de mens staat voorop bij het testen van allerlei stoffen in onder andere geneesmiddelen en voeding. Voor die testen is in de afgelopen decennia een puzzel ontwikkeld. “Elke dierproef is een puzzelstukje”, legt Herman Koëter, managing director van Orange House Partnership uit. “En als we al die puzzelstukjes op de juiste manier hebben gelegd, is de puzzel klaar en weten we of een stof veilig is. Wat we met het zoeken naar 3V-alternatieven doen, is proberen stukjes van die puzzel te vervangen. We zijn begonnen met de hoekjes, want die zijn het makkelijkst. Nu proberen we de rest van de stukjes te vervangen. Maar dat is lastig, het past niet goed en het gaat wringen. Bovendien gaat het wel heel erg lang duren als we al die stukjes één voor één gaan vervangen. Wat we moeten doen is een hele nieuwe puzzel maken, met allemaal nieuwe stukjes.”

Het lijkt soms of de huidige manier van testen met dierproeven een uitgebalanceerd systeem is dat wetenschappelijk goed onderbouwd is. Maar volgens Koëter is dat niet het geval. “in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw kregen we te maken met de Softonon-affaire waarbij zwangere vrouwen na het slikken van een medicijn tegen ochtendmisselijkheid kinderen kregen met afwijkingen aan de ledematen. Ook de DES-affaire veroorzaakte veel onrust. Het medicijn dat aanstaande moeders slikten om een miskraam te voorkomen leek in eerste instantie geen schadelijke gevolgen te hebben. Pas later bleek dat dochters van deze moeders als ze volwassen waren een grotere kans hadden om baarmoederhalskanker te krijgen en ze konden moeilijker zwanger worden. Sinds die tijd gelden voor heel veel stoffen internationale regels voor veiligheid. Dierproeven worden vanaf dat moment systematisch ingezet en goed beschreven. Er kwamen reproductietoxicologische testen in twee diersoorten waarbij naar alle mogelijke effecten werd gekeken: hart, ledematen, nieren, et cetera. “Dat lijkt heel secuur. Maar al die testen zijn ontwikkeld vanuit calamiteiten,”vindt Koëter. “Dat is een beetje te vergelijken met een terrorist die op een vliegveld gepakt wordt met een bom in zijn schoen. Daarna worden bij alle passagiers op vliegvelden hun schoenen gecontroleerd. Tot iemand probeert om onder zijn oksel een bom een vliegtuig in te smokkelen. Dan wordt de veiligheidscheck uitgebreid met het controleren van oksels.”

Degelijke bewijzen

Illustratie interview Herman Koeter

Koëter ziet genomics als een vakgebied waarmee een nieuwe puzzel gemaakt kan worden om veiligheid van stoffen te testen. Met genomics-onderzoek kunnen de werking en bijwerking van medicijnen en de effecten van stoffen worden onderzocht. Met de enorme hoeveelheid data die verzameld wordt met omic-studies kunnen steeds beter effecten in organismen als geheel worden bestudeerd, zonder dat daar dierproeven voor nodig zijn. En de mogelijkheden van genomics zullen volgens Koëter alleen maar toenemen. “Het probleem bij het ontwikkelen van non-animal-testen is dat diertesten als gouden standaard worden gezien. Nieuwe testen worden alleen geaccepteerd als er degelijke bewijzen zijn wat betreft betrouwbaarheid en voorspellende vermogens. Maar ga bij een gemiddelde dierproef eens kijken of die degelijke bewijzen er zijn, in veel gevallen zul je ze niet vinden. We weten dat de effecten bij dieren lang niet altijd gelijk zijn aan de effecten bij de mensen. Daarom bouwen we bij dierproeven een enorme veiligheidsmarge is. Zo hebben we afgesproken dat een veiligheidsmarge van 100 gangbaar is. Maar er is geen enkele wetenschappelijke onderbouwing van dat getal mogelijk. Er wordt dus van nieuwe testen iets gevraagd, waar bestaande dierproeven niet aan voldoen.”

Van nationaal naar internationaal

Uit ervaring weet Koëter dat het opzetten van een testlijnenprogramma een complexe zaak is. Tot een jaar of dertig geleden werden de wetgeving en inspectie op dit gebied allemaal per land geregeld. Bij elke nieuwe stof of ingrediënt in voeding werd nationaal vastgesteld welke testen nodig waren. Vanuit de OECD werd gewerkt aan het harmoniseren van al die nationale eisen. “Dat klinkt logisch”, blikt Koëter terug, “Maar de praktijk is weerbarstiger. Want zet drie wetenschappers om de tafel en je hebt vier meningen.” In 1991 begon Koëter bij de OECD waar hij onder andere verantwoordelijk werd voor het testlijnenprograma. Hij heeft veel discussies voorgezeten van wetenschappers uit allerlei landen over welke testen nodig waren en op welke manier die testen uitgevoerd moesten worden. Daar speelde ook nog eens economische belangen een rol. Uiteindelijk werd toch overeenstemming bereikt voor harmonisatie van een deel van de benodigde testen wereldwijd. “En op dat moment werd de roep om testen zonder dieren groter. Dat kwam deels door maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor dierenwelzijn en voor een deel door onderzoekers die nieuwe testen ontwikkelden waarvoor geen dieren nodig waren. En eigenlijk begon daarmee het hele proces van testen ontwikkelen en valideren opnieuw.”

Valideren is complex

En dat valideren is een gecompliceerde onderneming, vindt Koëter. Er is inmiddels vastgesteld wat goede validatie is en er is zelfs een OECD handboek voor hoe je moet valideren. Maar het is niet alleen complex, het kost ook nog eens veel geld. Als je een nieuwe test wilt laten valideren ben je zo twee ton kwijt voor de eerste aanzet en een volledige validatie kost minimaal een half miljoen. “Wetenschappers hebben geen geld en geen zin om dat proces zelf te doorlopen. Als een test ontwikkeld is, laten ze het graag aan anderen over om de bewijzen te verzamelen dat de test betrouwbaar en relevant is voor het omschreven doel. Onder andere de ECVAM doet dat nu in de EU. Maar het is de vraag hoe dat gaat nu het economisch slechter gaat. Dat zou de validatie en implementatie van 3V-alternatieven wel eens kunnen gaan hinderen.” Koëter bestrijdt daarbij het beeld dat bij de OECD oude vastgeroeste mannen afwachtend deze ontwikkelingen volgen. “Bij de OECD werken wetenschappers uit allerlei landen nauw samen en zij beslissen of nieuwe testen goed genoeg zijn om de veiligheid van stoffen en geneesmiddelen te testen. Daarbij volgen ze alle nieuwe ontwikkelingen op de voet. ”

Eerlijke informatie

Koëter gelooft in transparantie en kennisdelen. Zo geeft zijn non-profit organisatie Orange House Partnership trainingen aan toezichthouders in Afrika, China en andere niet-westerse landen over risico’s van voeding en chemische stoffen. Op die manier wordt het toezicht in die landen en de kennis van de risico’s op een hoger peil gebracht. Ook consumenten kunnen hun eigen verantwoordelijkheid nemen als ze voldoende eerlijke informatie hebben, denkt Koëter. Zo is hij op dit moment betrokken bij het ontwikkelen van een app voor het geven van informatie over voedingsproducten. Door een smartphone op een blokjescode op een verpakking te richten, verschijnt er op het scherm allerlei informatie over het product. Dat betreft voedingsinformatie over de ingrediënten, maar ook of een product is gemaakt met kinderarbeid of genetisch gemodificeerde organismen of hoeveel kilometer een grondstof heeft afgelegd. Ook geeft de app informatie of er voor een product een dierproef is uitgevoerd. “De industrie vindt het moeilijk om zo open te zijn over alle aspecten van een product”, heeft Koëter ontdekt. “Maar ik vind dat een consument recht heeft op al die informatie. Het is aan de consument zelf om te bepalen welke aspecten hij mee wil wegen in zijn keuze. Maar zorg er in ieder geval voor dat mensen voldoende informatie hebben om een gefundeerde keuze te maken.”

.