Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Vermijding ook belangrijk bij terugdringen gebruik proefdieren

Bert van Zutphen

Bert van Zutphen, emeritus professor Universiteit Utrecht

Er is de laatste dertig jaar veel bereikt op het gebied van 3V-alternatieven, kijkt Bert van Zutphen, emeritus professor van de Universiteit Utrecht terug. In 1983 werd hij bij die universiteit aangesteld als eerste hoogleraar Proefdierkunde in Nederland. De 3V’s (Vervangen, Verminderen en Verfijnen) waren altijd de leidraad bij zijn werk. Maar inmiddels zou hij daar graag een vierde V aan toevoegen. De V van Vermijding. “Daarmee doel ik op het feit dat in veel gevallen door de ontwikkelingen in de biotechnologie een dierproef niet meer nodig is. Het is steeds meer mogelijk geworden om dierproeven te omzeilen. Dat wordt dan niet direct gezien als een alternatief omdat het een ‘spin-off’ is van het biomedisch onderzoek dat niet primair gericht was op ontwikkelen van een alternatief voor een dierproef. Maar deze ontwikkeling draagt zeker bij aan de vermindering van het gebruik van proefdieren.” Daarbij moet volgens Van Zutphen niet alleen gekeken worden naar absolute getallen. “ Als het biomedisch onderzoek in Nederland met 100% stijgt en het proefdiergebruik stijgt niet, dan is er wel degelijk sprake van vermindering.”

Illustratie interviw Bert van Zutphen

Het valt soms niet mee om uit te leggen wat die 3V’s nu precies inhouden. De grondleggers van het 3V-principe, de Britse onderzoekers Russell & Burch, hebben dat in 1959 voor het eerst beschreven. Hun uitgangspunt was dat goede wetenschap kan samengaan met aandacht voor dierenwelzijn. Een uitgangspunt dat Van Zutphen en zijn medewerkers vanaf begin jaren tachtig van de vorige eeuw van harte onderschreven. “ Sinds die tijd zijn de technische innovaties in biomedisch onderzoek talrijk. De kennis over moleculaire genetica is enorm toegenomen, net als de mogelijkheden op het gebied van informatica. Ook het inzicht in wat stamcellen vermogen, is steeds beter geworden. Al die ontwikkelingen dragen bij aan de toepassing van 3V-alternatieven voor dierproeven. Ook Vermijding zou wat mij betreft daar een plaats bij moeten krijgen.”

Nieuw vakgebied

De aanstelling van een hoogleraar Proefdierkunde was een gezamenlijk initiatief van de Faculteit Diergeneeskunde en de Medische Faculteit van de Universiteit Utrecht. Samen met een team van goede medewerkers heeft Van Zutphen invulling gegeven aan dat toen nieuwe vakgebied. De Wet op de dierproeven (Wod) die in 1977 in Nederland werd ingevoerd, was volgens Van Zutphen zeker een belangrijke aanleiding voor de ontwikkeling van dat vakgebied. “ Onze focus is altijd het welzijn van dieren geweest. Waar het mogelijk was moest zonder dieren onderzoek gedaan worden, maar als het toch moest, dan zo goed mogelijk.” Dat uitgangspunt geldt in Nederland nog steeds.

Veel kennis nodig

Om te zorgen dat onderzoek zo goed mogelijk gebeurd, is niet alleen kennis nodig van onder andere genetische achtergrond, anesthesie, pathologie en huisvesting van de dieren, maar ook van de methodologie van dierexperimenteel onderzoek. Al die aspecten kwamen aan de orde in de zogenoemde artikel 9 cursus, die Van Zutphen met zijn medewerkers ontwikkelde. “Alle studenten die betrokken waren bij de uitvoering van dierproeven waren verplicht die cursus te volgen. Daar was in het begin wel wat weerstand tegen. Maar tegelijkertijd werd ook wel gezien dat er voor de proefdieren nog een wereld te winnen viel.” Door de invoering van de Wod in combinatie met onderwijs aan jonge onderzoekers, ging het aantal dierproeven in de jaren 80 en 90 fors omlaag. En het onderzoek dat nog met dieren werd gedaan, werd zorgvuldiger uitgevoerd, met veel oog voor het welzijn van de dieren.

Eigen onderzoek

“Als je onderwijs geeft over proefdierkunde aan anderen, dan moet je ook laten zien dat je zelf iets voorstelt op het gebied van onderzoek,” vindt Van Zutphen. “ En daar zijn we vanuit de UU zeker in geslaagd. In het begin was het lastig om de juiste weg te vinden. We lieten ons daarbij deels leiden door de eisen in de Wod. Maar we luisterden ook naar geluiden uit de maatschappij. Er was, en is bij sommige mensen nog steeds, een beeld dat onderzoekers er maar wat op los experimenteren. Dat beeld klopt zeker vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw echt niet meer. Dat wilden we ook duidelijk maken door open te zijn over dierproeven en 3V-alternatieven.

Fundamenteel onderzoek

Van Zutphen gelooft overigens niet dat het op korte termijn mogelijk is om het aantal dierproeven tot nul terug te brengen. “Het is nog steeds niet mogelijk om een levend organisme in al zijn complexiteit te vervangen door een in vitro model.” Deelaspecten kunnen heel goed onderzocht worden in vitro. Maar er blijven nog altijd onderzoeksvragen over die alleen in vivo onderzocht kunnen worden. Van Zutphen ziet dat er veel aandacht uitgaat naar verplichte diertesten in het kader van wet- en regelgeving om de veiligheid van producten te onderzoeken. “ Maar dat is maar een klein deel van het totale proefdieronderzoek. Juist bij fundamenteel onderzoek naar het ontstaan van ziekten wordt veel onderzoek met dieren gedaan. “ Ook daar moet volgens Van Zutphen proefdieronderzoek niet vanzelfsprekend zijn. “ Belangrijk is om eerst een scherp beeld te hebben van op welke vraag je als onderzoeker antwoord wilt hebben. Pas daarna kun je bepalen op welke manier je dat antwoord het beste kunt vinden. Veel deelaspecten van dat antwoord kunnen gevonden worden door in vitro onderzoek. Pas in het laatste stadium, voordat er op mensen getest gaat worden, is dan nog een onderzoek nodig in een dier.” Op die manier worden zo min mogelijk dieren gebruikt die nodig zijn voor een valide onderzoek.

Financieren onderzoek

Wat volgens Van Zutphen ook een rol heeft gespeeld bij de acceptatie van 3V-alternatieven, is dat de overheid al jarenlang onderzoek op dat gebied financieel ondersteunt. “ Dat geld is weliswaar beperkt en daarmee een druppel op de gloeiende plaat. Door de omvang van de projecten is de wereld daar niet direct door veranderd. Maar het effect is wel dat onderzoek naar 3V-alternatieven steeds meer als nastrevenswaardig doel werd gezien.” Het onderzoek heeft meer aanzien gekregen. Inmiddels financiert ZonMw met het programma ‘Meer Kennis met Minder Dieren’ onderzoek op dit gebied.

Kritische houding

Er is volgens Van Zutphen dus al veel bereikt. Maar hoe nu verder? Het aantal dierproeven is al een paar jaar stabiel rond de 600.000 per jaar. Dat wil niet zeggen dat de implementatie van 3V-alternatieven stagneert. Bij Verfijning daalt het aantal dieren niet direct, maar het welzijn van dieren verbetert wel. Van Zutphen merkt dat het zoeken en toepassen van 3V-alternatieven voor dierproeven bij veel onderzoekers geïnternaliseerd is. “ Ik was onlangs nog bij het afscheid van een onderzoeker die met pensioen ging en deze vertelde dat hij één van de eerste deelnemers aan onze artikel 9 cursus was. Die heeft dus zijn hele werkzame leven gewerkt vanuit de principes van de 3V-alternatieven.” Ook tijdens verschillende internationale congressen over dit onderwerp die Van Zutphen (mede)organiseerde, was de belangstelling vanuit de wetenschap altijd groot. “Ik zie veel jonge onderzoekers die niet meer bereid zijn om zonder meer dieren te gebruiken in onderzoek. Samenspel tussen de wet, onderwijs en ethische toetsing zorgen voor een kritische houding tegenover proefdieronderzoek. Tel daarbij de technische innovaties en toegenomen kennis op. Dat is de weg die we moeten blijven volgen om proefdieronderzoek nog verder omlaag te brengen.”

.