Rijksoverheidslogo
Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven

Wetten en regelgeving

Algemene wetgeving

Nationaal en internationaal is er wet-en regelgeving om dieren te beschermen die worden gebruikt bij experimenten of ander wetenschappelijk onderzoek. Nederland is op dit gebied jarenlang een voorloper geweest en heeft sinds 1977 de Wet op de dierproeven (Wod). Maar ook binnen Europa is er steeds meer aandacht voor proefdieren en 3V-alternatieven. Op 22 september 2010 werd richtlijn 2010/63/EU van de Europese Unie gepubliceerd. Deze richtlijn 'betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt' heeft gevolgen voor de Wod. Nederland moet de Wod aan de EU-richtlijn aanpassen. Zolang de wijziging van de Wod niet voltooid is, blijft de Wod in de huidige vorm bestaan. Wel moet de wet vanaf 1 januari 2013 gelezen worden in het licht van de richtlijn. Dit betekent dat de Dieren Experimenten Commissies (DEC's) de richtlijn moeten volgen, mits dit mogelijk is binnen de ruimte voor de uitvoering van de huidige wet. In december 2012 is een handleiding verschenen op welke maniet de DEC's de richtlijn in acht kunnen nemen.

Europese richtlijn

De aandacht voor 3V-alternatieven in wet- en regelgeving wordt ingegeven door dierethische motieven, maar ook door de wetenschappelijke meerwaarde die 3V-methoden kunnen hebben.

Sectorale wetgeving

Naast bovengenoemde algemene wetgeving is er ook sectorale wetgeving van toepassing met betrekking tot cosmetica, geneesmiddelen, REACH, plantenbeschermingsmiddelen en biociden.

Onafhankelijke dierexperimentencommissie

Bij de uitvoering van experimenten is er nog meer oog voor de zorg voor (proef)dieren. Zo moet allereerst door een onafhankelijke dierenexperimentencommissie (DEC) beoordeeld worden of het nut van het experiment wel opweegt tegen het ongerief dat het dier zal ondervinden. Bovendien zal een onderzoeker altijd gevraagd worden om zijn experiment met zo min mogelijk dieren uit te voeren en om technieken te gebruiken waar het dier weinig last van heeft (zogenaamde non-invasieve methoden). De ontwikkeling van deze non-invasieve onderzoeksmethoden zijn een belangrijk onderdeel van de verfijning van biotechnisch onderzoek (één van de 3V's). Wanneer deze methoden niet mogelijk zijn, wordt gekeken in hoeverre anesthesie een oplossing kan bieden voor het verminderen van pijn en ongerief.

.